Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08/4783 BESLU + 09/1228 BESLU
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM7690
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. De Raad heeft uitspraak gedaan op het hoger beroep (LJN BH5930). Heropening onderzoek. Naast het Uwv is de Staat aangemerkt als partij in die procedure. De redelijke termijn is met drie jaar en ruim zeven maanden overschreden. Ten tijde van deze uitspraak is sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in het tweede deel van de procedure. De Raad ziet geen aanknopingspunten om deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten en zal deze in zijn beoordeling betrekken. Schadevergoeding wordt vastgesteld op acht maal € 500,–, dit is € 4.000,–. Van dit bedrag komt € 3.500,– ten laste van het Uwv en € 500,– ten laste van de Staat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/365
NJB 2009, 2002

Uitspraak

08/4783 BESLU

09/1228 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2006, 05/3367, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Op 10 maart 2009 (LJN BH5930) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Ook het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting ingezonden. Betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2009. Betrokkene is niet verschenen. De Staat heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage, en het Uwv door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 10 maart 2009 heeft de Raad overwogen: “Aan de – procedurele – gang van zaken tot dusverre kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.”.

2. Namens de Staat is naar voren gebracht dat er ten tijde van de uitspraak van de Raad van 10 maart 2009 geen sprake was van een te lange behandelingsduur in een rechterlijke fase, nu de behandeling door rechtbank en Raad tezamen minder dan drie en een half jaar had geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn dient naar het oordeel van de Staat dan ook geheel ten laste van het Uwv te komen.

3. Het Uwv heeft verwezen naar de jurisprudentie van de Raad over de vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4. Betrokkene heeft verwezen naar eerder in de procedure ingezonden stukken.

5.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

5.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 25 maart 2009 (LJN BH9991) en 15 april 2009 (LJN BI2044). Daarin heeft de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) overwogen dat in een procedure in drie instanties in socialezekerheidszaken het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De onder 5.1 genoemde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

5.3. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen bij de ontvangst door het Uwv op 20 februari 2002 van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 februari 2002. Met de Staat stelt de Raad vast dat er ten tijde van de uitspraak van de Raad op 10 maart 2009 geen sprake was van een aan de rechter toe te schrijven overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank in de eerste fase van de procedure en de rechtbank en de Raad tezamen in de tweede fase van de procedure waren op dat moment gebleven binnen de onder 5.2 genoemde behandelingsduren. Er kan evenwel niet aan voorbij worden gezien dat er ten tijde van deze uitspraak wel sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in het tweede deel van de procedure. De Raad ziet geen aanknopingspunten om deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten en zal deze in zijn beoordeling betrekken.

5.4. Vanaf 20 februari 2002 zijn ten tijde van deze uitspraak zeven jaar en ruim zeven maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van acht maal

€ 500,–, dit is € 4.000,–. Van dit bedrag komt € 3.500,– ten laste van het Uwv en € 500,– ten laste van de Staat.

5.5. Het onder 5.1 tot en met 5.4 overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het Uwv dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 3.500,– en de Staat ten bedrage van € 500,–.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om het Uwv en de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij neemt daarbij in aanmerking dat uitsluitend de in deze schadeprocedure gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Over de proceskosten in de daaraan voorafgaande procedure heeft de Raad reeds beslist in zijn uitspraak van 10 maart 2009. De door betrokkene aangevoerde kosten die in deze schadeprocedure zijn gemaakt, komen niet op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,–;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,–.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

MM