Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
07-5653 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend is op minder dan 35%. De Raad is van oordeel dat de deskundige op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in de vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad is van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. De geschiktheid van appellant voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies is in voldoende mate komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5653 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 augustus 2007, 07/695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 13 februari 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens is appellant op verzoek van de Raad onderzocht door G.T. Gerssen, psychiater te Scherpenzeel, die op 27 juni 2009 rapport heeft uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 4 september 2009, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Snatager.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is kapper geweest en is op 23 augustus 2004, terwijl hij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet, uitgevallen wegens buikklachten, psychische klachten en beenklachten. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat verband is appellant onderzocht door de verzekeringsarts die de beschikking heeft gehad over informatie uit de behandelende sector. Zij heeft vastgesteld dat er bij appellant sprake is van been- en buikklachten, alsmede psychische klachten. De buikklachten zijn niet ernstig van aard en geven naar haar mening geen beperkingen. Daarentegen vloeien uit de beenklachten en de psychische klachten naar haar mening wel beperkingen voort. Deze beperkingen heeft zij vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%.

Bij besluit van 19 oktober 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 21 augustus 2006 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts te kennen had gegeven dat hij zich kon verenigen met de vastgestelde FML, heeft het Uwv bij besluit van 20 februari 2007 het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellant gesteld dat het onderzoek naar zijn psychische klachten onzorgvuldig is geweest. Voorts heeft hij er op gewezen dat hij aan zijn benen is geopereerd. Hij is van mening dat de beperkingen als gevolg van zijn beenklachten zijn onderschat.

3.2. Het Uwv heeft in beroep nog rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ingebracht, waarbij deze laatste te kennen heeft gegeven dat, uitgaande van een juiste maatmanomvang, de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft.

3.3. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen.

4.1. In hoger beroep heeft appellant de ernst van zijn psychische klachten nogmaals benadrukt. Naar de mening van de behandelend psychiater Koers is appellant toenemend depressief en suïcidaal. Daarnaast heeft hij herhaald dat hij niet lang kan staan en dat de functies niet geschikt zijn.

4.2. Op deze gronden hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeids-deskundige gereageerd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Op grond van de gedingstukken is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen, die de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector, geen zorgvuldig medisch onderzoek hebben ingesteld naar de been- en buikklachten van appellant. Het door deze artsen ingenomen standpunt dat uit de buikklachten geen beperkingen voortvloeien, kan de Raad niet voor onjuist houden. Evenmin is de Raad tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen de uit de beenklachten voortvloeiende beperkingen hebben onderschat. De stelling van appellant dat hij vanwege de beenklachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, heeft appellant naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt.

5.3. Met betrekking tot de psychische klachten heeft de Raad aanleiding gezien om de psychiater Gerssen als deskundige in te schakelen. Deze heeft in zijn rapport te kennen gegeven dat er bij appellant sprake is van een aanpassingstoornis met een depressieve stoornis en schizoïde persoonlijkheidstrekken. Op de datum in geding – te weten 21 augustus 2006 – was daar naar zijn mening ook reeds sprake van. Hij heeft zich kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML en is van mening dat vanuit strikt medisch psychiatrische gronden geen bezwaren zijn aan te voeren tegen de geselecteerde functies.

5.4. De Raad is alles afwegende van oordeel dat deze deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in dit geding aanwezige medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. De Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in de vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

5.5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. Nu voorts de geschiktheid van appellant voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is komen vast te staan en de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 35% is vastgesteld, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

EK