Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
07-6927 WWB+07-6929 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing langdurigheidstoeslag. Vaststaat dat in de maanden maart 2002, april 2004, mei 2004 en januari 2005 autotransacties hebben plaatsgevonden en appellanten van deze transacties geen administratie of boekhouding hebben bijgehouden, kan niet worden vastgesteld of appellanten aan de voorwaarde van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6927 WWB

07/6929 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 november 2007, 07/731 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 07/6904, 07/6905, 08/7096 en 08/7098, plaatsgevonden op 21 juli 2009. Voor appellanten is verschenen mr. L.E.I.K. Jaminon, kantoorgenoot van mr. Hilkens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns, werkzaam bij de gemeente Roermond. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst.

In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft de bijstand van appellanten over de maanden maart 2002, april 2004, mei 2004 en januari 2005 ingetrokken op de grond dat in die maanden sprake is geweest van autotransacties waarvan zij aan het College geen mededeling hebben gedaan. Omdat onduidelijk was of appellanten in verband met de autotransacties inkomen hebben genoten, heeft het College vastgesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De rechtbank heeft dit standpunt van het College in haar uitspraak van 8 november 2007, 07/595 en 07/730, gevolgd. Bij uitspraak van heden met de reg. nrs. 07/6904 en 07/6905 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank op dit punt bevestigd.

1.2. Appellanten hebben op 20 maart 2006 bij het College een aanvraag om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.3. Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet kan worden beoordeeld of appellanten gedurende een onafgebroken periode van 60 maanden een inkomen hebben gehad dat niet hoger is dan de bijstandsnorm.

1.4. Bij besluit van 3 april 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a (oud), van de WWB geldt als voorwaarde om voor langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen dat de betrokkene gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft.

4.2. Het gaat hier om een eenmalige, jaarlijks op aanvraag toe te kennen toeslag. Om in aanmerking te komen voor de aangevraagde langdurigheidstoeslag dient (in elk geval) te zijn voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarde. Nu vaststaat dat in de maanden maart 2002, april 2004, mei 2004 en januari 2005 autotransacties hebben plaatsgevonden en appellanten van deze transacties geen administratie of boekhouding hebben bijgehouden, kan niet worden vastgesteld of appellanten aan de voorwaarde van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldoen. Het College heeft de aanvraag van 20 maart 2006 dan ook terecht afgewezen.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) K. Moadinne.

RB