Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
07-5376 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Juiste medische grondslag. In verband met de verminderde psychische draagkracht van appellante zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, en een urenbeperking, welke de Raad niet onjuist voorkomen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is te weinig geconcretiseerd om aanleiding te geven tot twijfel over de vraag of de in de geduide functies beschreven nekbelasting overeenkomt met de werkelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010, 5

Uitspraak

07/5376 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2007, 06/1853 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. de Casparis, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. N.D. Dane, kantoorgenoot van mr. De Casparis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was tot maart 2003 werkzaam als parttime secretaresse en ontving vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 10 maart 2004 was zij betrokken bij een verkeersongeval ten gevolge waarvan zij zich heeft ziek gemeld met whiplashklachten. Op 28 november 2005 heeft appellante het Uwv verzocht om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 mei 2006 vastgesteld dat met ingang van 15 maart 2006 voor appellante recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid.

1.3. Onder verwijzing naar rapportages, gedateerd 17 augustus 2006 en 14 september 2006, van een bezwaarverzekeringsarts, respectievelijk een bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar was van oordeel dat de conclusie van het Uwv dat de aan appellante voorgehouden functies als passend kunnen worden beschouwd pas in de loop van de procedure in eerste aanleg van een toereikende motivering is voorzien.

3. Het hoger beroep richt zich op het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellante heeft betoogd dat zij wegens haar psychische toestand op de in geding zijnde datum niet tot het verrichten van arbeid in staat was. Verder heeft zij de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht bestreden, in het bijzonder wat betreft de belasting op punt 5.8 “hoofdfixatie”.

4.1. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen als neergelegd in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag. De door appellante in hoger beroep ingezonden informatie van 7 november 2008 van haar behandelend psychiater en psycholoog hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen is opgemerkt in diens reactie van 30 januari 2009 blijkt uit de gedingstukken, waaronder een expertise van de zenuwarts prof. dr. F. Verhey en informatie van de behandelend sector, niet dat er op 15 maart 2006, de in geding zijnde datum, sprake was van een situatie waarin appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van arbeid. In verband met de verminderde psychische draagkracht van appellante zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, en een urenbeperking, welke de Raad niet onjuist voorkomen.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Ook naar het oordeel van de Raad is in de verschillende arbeidskundige rapportages die zich onder de gedingstukken bevinden een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante.

4.3. Wat betreft de statische nekbelasting, waarvan sprake is wanneer het hoofd tijdens het werk in een bepaalde stand moet worden gehouden (punt 5.8 in de FML), is blijkens het rapport van 13 februari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts sprake van een neutrale positie zolang de rotatie binnen de 30 graden blijft en het knikken binnen 15 graden. Wanneer de rotatie dan wel het knikken meer graden bedraagt is er volgens de FML sprake van een lichte beperking in die zin dat appellante gedurende niet meer dan de helft van de werkdag het hoofd in een bepaalde stand kan houden. In zijn e-mail van

16 november 2007 heeft de verzekeringsarts verklaard dat hij met zijn toelichting op de FML heeft bedoeld te zeggen dat naarmate de maximale eindstanden in bewegingsuitslag worden opgezocht of er andere belastende factoren gelden (zoals een kruiphouding) de beperking zwaarder weegt. Nu de duur van de hoofdfixatie in de geduide functies niet meer dan twee minuten achtereen is heeft de Raad geen reden tot twijfel aan de mededeling van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportages van 7 juni 2007 en 18 oktober 2007 dat dit niet als te belastend voor appellante moet worden geacht.

4.4. Appellante heeft met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) betoogd dat geen sprake is van “equality of arms” nu zij niet in staat is de juistheid van de stelling van het Uwv over de in de geduide functies voorkomende nekbelasting te verifiëren. Dit betoog faalt. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 8 augustus 2006, LJN AY6390, en van 24 december 2008, LJN BG9468, merkt de Raad op dat een betrokkene in de procedure voor de bestuursrechter alle gelegenheid wordt geboden de gegevens van feitelijke aard van de wederpartij te bestrijden. Wanneer dit op voldoende gemotiveerde wijze gebeurt kan van de wederpartij worden verlangd dat deze door overlegging van de betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt. Hetgeen in het onderhavige geval naar voren is gebracht is naar het oordeel van de Raad te weinig geconcretiseerd om aanleiding te geven tot twijfel over de vraag of de in de geduide functies beschreven nekbelasting overeenkomt met de werkelijkheid.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM