Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08-7255 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Draagkrachtvaststelling. Verzamelinkomen. Gegevens Belastingdienst. Hardheidsclausule. Artikel 11.5 Wsf 2000. Uitzonderingsbeleid bij bestrijding juistheid gegevens Belastingdienst. Zeer terughoudende toetsing uitzonderingsbeleid. Bezwaarschrift tevens opvatten als verzoek om verlegging peiljaar.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 11.5, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009, 338

Uitspraak

08/7255 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 december 2008, 08/40 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 december 2007 heeft appellante ongegrond verklaard betrokkenes bezwaar tegen het besluit van 6 december 2007, waarbij betrokkenes draagkracht per 1 januari 2008 is vastgesteld op € 242,19 per maand op basis van diens verzamelinkomen over 2006 zoals dat door de Belastingdienst voorlopig is vastgesteld op € 25.435,-- en is aangetekend dat betrokkene begin januari 2008 een Bericht ontvangt waarin wordt vermeld hoeveel hij moet betalen.

1.2. Bij Bericht Terugbetalen van 6 januari 2008 heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat het door hem per 1 januari 2008 te betalen bedrag op € 97,06 per maand is gesteld.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank betrokkenes beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat appellante opnieuw op het bezwaarschrift moet beslissen en een beslissing gegeven over het griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

2.2. Betrokkene heeft bij brief van 3 maart 2008 in beroep ingebracht een brief van de Belastingdienst van 19 februari 2008 (in reactie op een door betrokkene ingediende klacht over de hoogte van het over 2006 vastgestelde verzamelinkomen). Daaruit blijkt dat zijn verzamelinkomen over 2006 feitelijk € 14.773,-- bedraagt, aangezien de uitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) aan hem over 2006 niet € 18.712,--, doch € 8.050,-- bedroeg als gevolg van verrekening op jaarbasis met uit door hem uit zelfstandig bedrijf of beroep genoten inkomen in - per definitie - een ander boekjaar. Slechts als gevolg van de wijze van verrekening geeft het door de Belastingdienst over 2006 vastgestelde verzamelinkomen een van de werkelijkheid afwijkend beeld. Juist voor zo’n bijzondere situatie biedt artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) (de hardheidsclausule) een voorziening, aldus de rechtbank, die - onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2007, LJN AZ7468 - vervolgens is gekomen tot het oordeel dat appellante in die brief van de Belastingdienst aanleiding had moeten zien om betrokkenes draagkracht over 2006 opnieuw vast te stellen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het volgende aangevoerd. Daar het verzamelinkomen over 2006 in overeenstemming met de fiscale wetgeving is vastgesteld, bestaat geen aanleiding om met toepassing van de hardheidsclausule in afwijking van de wet uit te gaan van een lager toetsingsinkomen. Ten onrechte is door de rechtbank verwezen naar de (hiervoor onder 2.2 vermelde) uitspraak van de Raad van 26 januari 2007, omdat in die zaak, anders dan in de thans aanhangige zaak, sprake was van een onjuist inkomen als gevolg van een fout van de uitkerende instantie.

3.2. Desgevraagd heeft appellante ter zitting van de Raad nader het volgende verklaard.

Naar aanleiding van de hiervoor onder 2.2 vermelde uitspraak van de Raad van 26 januari 2007 heeft appellante ter uitoefening van de haar in artikel 11.5 van de Wsf 2000 toegekende bevoegdheid beleid ontwikkeld. Dit beleid houdt in dat zij in gevallen waarin de juistheid van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens door de betrokkene wordt bestreden, de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule toepast, mits is voldaan aan de volgende - cumulatieve - voorwaarden (welke door appellante in een andere bij de Raad thans nog aanhangige zaak, te weten 08/3471 WSF en 08/3472 WSF bij brief van 14 augustus 2009 zijn kenbaar gemaakt en door de Raad bij brief van 31 augustus 2009 aan betrokkene zijn kenbaar gemaakt):

1e. het feitelijke inkomen in het desbetreffende jaar is aantoonbaar lager geweest dan het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen en

2e. het verschil tussen die beide inkomens is het gevolg van een administratieve keuze bij de werkgever of de uitkeringsinstantie en

3e. de betrokkene heeft aan die keuze geen schuld noch op die keuze enige invloed gehad en

4e. de betrokkene heeft aantoonbaar doch tevergeefs geprobeerd de Belastingdienst ertoe te bewegen de desbetreffende gegevens te corrigeren.

Dit uitzonderingsbeleid is nog niet eerder naar buiten gebracht en nog niet openbaar gemaakt.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat, omdat in dit geval niet is voldaan aan de tweede voorwaarde, er geen plaats is voor toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf neergelegde hardheidsclausule.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 11.5 van de Wsf 2000 kan de Informatie Beheer Groep de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken ingeval toepassing van de wet gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een hardheidsclausule en te meer nu het hier gaat om het buiten toepassing laten of afwijken van een wet in formele zin, ligt het in de rede om het door appellante bij de uitoefening van deze bevoegdheid in kwesties als de onderhavige gevoerde beleid zeer terughoudend te toetsen.

Naar het oordeel van de Raad kan dit beleid niet kennelijk onredelijk worden geacht, zodat van beslissingen die met inachtneming van dit beleid zijn genomen niet kan worden staande gehouden dat zij bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hadden kunnen worden genomen.

Met appellante is de Raad voorts van oordeel dat in het thans aanhangige geval niet is voldaan aan de tweede - cumulatieve - voorwaarde, immers, het verschil tussen het feitelijk genoten inkomen en het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen is - duidelijk - niet het gevolg (geweest) van een administratieve keuze bij de GSD.

Van feiten of omstandigheden die in de weg kunnen staan aan het oordeel dat het door appellante met toepassing van dit beleid genomen besluit niet onredelijk is te achten, is de Raad niet kunnen blijken.

5. Gelet op het onder 3.2 vermelde en onder 4.2 overwogene slaagt het hoger beroep, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

7. Tot slot merkt de Raad nog op dat - zoals ter zitting ook is besproken - appellante er goed aan zou hebben gedaan om, zoals naar de ervaring van de Raad uit oogpunt van dienstverlening bij de Informatie Beheer Groep te doen gebruikelijk, het door betrokkene tegen het primaire besluit van 6 december 2007 gemaakte bezwaar tevens op te vatten als een verzoek om verlegging van het peiljaar. De Raad gaat er dan ook van uit dat, indien de betrokkene dat wenst en de kans dat dit hem soelaas biedt reëel aanwezig is, zulks alsnog zal geschieden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL