Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08-2050 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts. De Raad acht, anders dan de rechtbank, dat gebrek hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft in het kader van haar heroverweging de hoorzitting heeft bijgewoond en eigen onderzoek naar de psychische beperkingen van betrokkene heeft verricht. Geen reden voor een urenbeperking. Juiste medische grondslag. De functie receptioniste is geschrapt met als reden dat deze als functievereiste een VMBO-niveau theoretische leerweg kende. Een theoretisch VMBO-niveau, dat gelijk staat met MAVO-niveau, is wellicht te hoog gegrepen voor betrokkene, maar bij de resterende functies is maximaal VMBO-beroepsgericht vereist. Naar vaste jurisprudentie (zie LJN BD4926) zijn niveau-eisen niet op te vatten als strikte diploma-eisen. Het opleidingsniveau van betrokkene is voor de functies toereikend. Betrokkene moet met haar beperkingen in staat geacht worden om de geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2050 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2008, 07/1454 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Blom.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft sinds 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Op 31 augustus 2006 is betrokkene in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten onderzocht door de arts H. Borninkhof, die vervolgens informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van betrokkene. In die later ontvangen informatie ziet Borninkhof geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in de door hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige R. de Jager heeft aan de hand van de FML functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft appellant de uitkering met ingang van 19 december 2006 ingetrokken.

2.2. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft betrokkene gezien op de hoorzitting op 5 januari 2007 en kennis genomen van een brief van betrokkenes fysiotherapeut E. Vermist. Op de hoorzitting is als bezwaargrond geuit dat Borninkhof onderzoek naar een mogelijke psychische factor achterwege heeft gelaten. Betrokkene neemt dit de arts zeer kwalijk, mede omdat uit het dossier blijkt dat betrokkene in het verleden deze klachten gehad heeft. Na de hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend neuroloog, cardioloog en opnieuw bij de huisarts. Zoals tussen partijen afgesproken op de hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokkene op haar spreekuur onderzocht en daarbij aandacht gegeven aan haar psychische klachten.

2.3. Bij haar rapport van 27 februari 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat betrokkenes subjectieve waardering van haar arbeidsbeperkingen afwijkt van de door de verzekeringsarts Borninkhof reëel geachte arbeidsbeperkingen. De bezwaarverzekeringsarts kan zich echter verenigen met de door Borninkhof in de FML aangegeven arbeidsbeperkingen die volgens de bezwaarverzekeringsarts passen bij de bij betrokkene vastgestelde aandoening fibromyalgie en de klachten die daaruit voorvloeien. De door betrokkene aangegeven beperkingen met betrekking tot het bewegingsapparaat worden niet gesteund door medisch objectiveerbare bevindingen. Met betrekking tot de door betrokkene geclaimde beperkingen ten aanzien van concentratie, geheugen, zelfstandig handelen en handelingstempo is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat deze niet aan de orde zijn. Op grond van het eigen onderzoek op 27 januari 2007 worden deze beperkingen niet onderbouwd. Vanwege het door de huisarts gemelde toegenomen medicijngebruik heeft de bezwaarverzekeringsarts wel aanleiding gezien in de FML een beperking aan te nemen bij persoonlijk risico. Ook vanwege een nikkelallergie is de FML aangescherpt.

2.4. Onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers leverde vervolgens op dat geen van de oorspronkelijk aan betrokkene voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt voor haar zijn. De bezwaararbeidsdeskundige heeft evenwel nieuwe functies geduid. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid per toekomende datum op minder dan 15% gesteld.

2.5. Het door betrokkene gemaakte bezwaar is door appellant bij besluit van 7 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. In dit besluit wordt de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 19 oktober 2006 ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 7 mei 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene minder dan 15% en per die datum wordt de WAO-uitkering van betrokkene ingetrokken.

3.1. Bij de rechtbank is van de zijde van betrokkene als beroepsgrond aangevoerd dat de primaire medische beoordeling heeft plaatsgevonden door Borninkhof die geen verzekeringsarts is.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met beslissingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek niet is verricht overeenkomstig de wettelijke eisen, doordat het medisch onderzoek in eerste instantie is verricht door een arts die geen verzekeringsarts is. Dit gebrek is naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase niet hersteld omdat de bezwaarverzekeringsarts bij haar eigen medisch onderzoek op het spreekuur zich enkel gericht heeft op de psychische problematiek van betrokkene en de daarmee samenhangende klachten. De bezwaarverzekeringsarts had volgens de rechtbank voor wat betreft de lichamelijke klachten niet mogen volstaan met het bestuderen van de dossiergegevens, het bijwonen van de hoorzitting en het beoordelen van de tijdens de bezwaarfase verkregen informatie van derden. De overige beroepsgronden liet de rechtbank onbesproken.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts het gebrek wel voldoende hersteld heeft. Appellant ziet zich in dit standpunt gesteund in de jurisprudentie waarin de Raad zijn oordeel neergelegd heeft dat het gebrek in de bezwaarfase hersteld is door een beoordeling door een wel als verzekeringsarts geregistreerde bezwaarverzekeringsarts, waarbij lichamelijk onderzoek niet steeds noodzakelijk hoeft te zijn.

4.2. In haar rapport van 8 mei 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar neergelegd van mening te zijn dat Borninkhof het lichamelijk onderzoek goed en volledig heeft uitgevoerd. Een tweede onderzoek door een geregistreerd verzekeringsarts, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, is derhalve overbodig en onnodig belastend gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting van betrokkene verkregen informatie over haar lichamelijk functioneren.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Borninkhof is geen geregistreerd verzekeringsarts en zijn onderzoek voldoet daarom niet aan de wettelijk eisen.

5.2. De Raad acht, anders dan de rechtbank, dat gebrek hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat deze verzekeringsarts in het kader van haar heroverweging de hoorzitting heeft bijgewoond en eigen onderzoek naar de psychische beperkingen van betrokkene heeft verricht. Daarnaast heeft zij in ogenschouw genomen de medische informatie van de behandelaars van betrokkene en de door Borninkhof verzamelde gegevens. Tegen die achtergrond heeft zij inzichtelijk gemotiveerd waarom, gelet op de aard van de aandoening van betrokkene, tezamen met de bevindingen van Borninkhof, een nader lichamelijk onderzoek geen aanvullende waarde zou hebben. De Raad kan deze opvatting volgen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet wordt onderschreven voor zover daarin is vastgelegd dat het bestreden besluit niet steunt op een toereikende medische beoordeling.

6. Hiermee staat de Raad voor de beoordeling van de door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden.

7.1. Ten aanzien van de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat haar beperkingen - zowel op het lichamelijke als het geestelijke vlak - zijn onderschat en door de verzekeringsarts onjuist zijn vastgelegd in de FML. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft betrokkene een rapport overgelegd van dr. B.A. de Jong, arts voor orthopedische geneeskunde. Over de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML merkt deze op bij de rubriek persoonlijk functioneren niet veel aanmerkingen te hebben. Vanwege medicatiegebruik mag betrokkene naar zijn mening niet autorijden. Ten aanzien van de rubriek sociaal functioneren acht De Jong betrokkene aanzienlijk meer beperkt bij de items “emotionele problemen van anderen hanteren” en “omgaan met conflicten”. Voor het overige heeft De Jong kijkend naar de fysieke mogelijkheden van appellante geen commentaar op de in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen beschreven beperkingen. Wat de arbeidsduur betreft lijkt hem dat een werkduur van maximaal vier uur per dag wel het maximum is voor betrokkene, al zou dit mogelijk in de toekomst bij zeer geschikt werk kunnen worden uitgebreid. De voorgehouden functies overziend is De Jong van mening dat, ook in het licht van betrokkenes allergieklachten, er maar één functie als in medisch opzicht passend kan worden beschouwd. De andere functies kunnen volgens hem mogelijkerwijs zowel fysiek als psychische gezondheidsschade berokkenen.

8. De Raad volgt echter de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar in haar rapportage van 17 januari 2008 dat uit het rapport van De Jong geen nieuwe medische feiten naar voren komen en dat De Jong geen medische argumenten heeft om het niet eens te zijn met de beperkingen op het lichamelijke vlak. De FML zoals die opgesteld is door de bezwaarverzekeringsarts en Borninkhof komt vrijwel overeen met de beperkingen die vastgelegd zijn in het belastbaarheidspatroon uit 1995. De toegevoegde beperking op de FML door de bezwaarverzekeringsarts bij persoonlijk risico houdt tevens in dat functies, waarbij autorijden in de belasting voorkomt, niet worden geduid. Uit het onderzoek van de verzekeringsartsen in 2006 blijkt dat er sprake is van een vrijwel onveranderde medische situatie. De bevindingen bij lichamelijk onderzoek van De Jong komen overeen met die van Borninkhof. In 1995 was er geen indicatie voor een urenbeperking. Gelet op de ongewijzigde situatie bestaat derhalve geen reden voor een urenbeperking. Uit de ontvangen medische informatie van de verschillende behandelend specialisten zijn verder geen medisch objectiveerbare afwijkingen naar voren gekomen die aanleiding geven tot verdergaande beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen enkele aanleiding betrokkene beperkt te achten ten aanzien van het item “conflicthantering”. De Raad merkt op dat van de zijde van betrokkene geen onderbouwing gekomen is van haar standpunt dat ze op dit item beperkt is en komt dan ook tot het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet voor onjuist te houden valt.

9. Op het arbeidskundige vlak heeft betrokkene aangevoerd dat in een aantal voorgehouden functies opleidingseisen worden gesteld waaraan zij niet voldoet. Door de arbeidsdeskundigen van het Uwv is gesteld dat betrokkene wel voldoet aan de eis “niveau VMBO beroepsgericht” omdat zij drie jaar MAVO gevolgd heeft. Feitelijk heeft zij slechts twee jaar MAVO gevolgd omdat ze in het eerste leerjaar doubleerde. Twee leerjaren MAVO zijn naar de mening van betrokkene niet op één lijn te stellen met een afgeronde VMBO-opleiding.

10.1. De Raad merkt op dat in bezwaar door de bezwaararbeidsdeskundige de functie receptioniste geschrapt is met als reden dat deze als functievereiste een VMBO-niveau theoretische leerweg kende. Hij overwoog daarbij dat een theoretisch VMBO-niveau, dat gelijk staat met MAVO-niveau, wellicht te hoog gegrepen is voor betrokkene, maar dat bij de resterende functies maximaal VMBO-beroepsgericht vereist is.

10.2. De Raad constateert dat alle aan betrokkene voorgehouden functies opleidingsniveau 2 kennen. Verder wijst de Raad erop dat, naar vaste jurisprudentie (zie onder meer LJN BD4926), niveau-eisen niet zijn op te vatten als strikte diploma-eisen. Volgens de definitie welke appellant hanteert moet men met dit niveau de basisschool voltooid hebben en eventueel daarna meerdere jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Men moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau.

10.3. Het komt de Raad gelet hierop voor dat het opleidingsniveau van betrokkene voor de functies toereikend is.

10.4. De Raad is van oordeel dat betrokkene met haar beperkingen in staat geacht moet worden om de geselecteerde functies te vervullen.

10.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 mei 2007 ongegrond verklaard moet worden.

11. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

JL