Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
08-2659 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover de Raad is kunnen blijken betrof het hier geen opwaardering van de functie in verband met een taakverzwaring die appellant nog niet aankon, maar ging het om het resultaat van functie-onderhoud waarover afspraken tussen appellant en zijn leidinggevende waren gemaakt. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen goede gronden om van appellant te verlangen dat hij blijkens een beoordeling eerst een half jaar naar behoren zou hebben gefunctioneerd, alvorens hij voor inschaling in schaal 5 in aanmerking zou komen. Het oordeel van de rechtbank, dat er sprake is van een (extra) functie-eis die is toegevoegd aan de nieuwe functiebeschrijving, berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag. De Raad acht in hetgeen namens de minister over deze functie-eis naar voren is gebracht onvoldoende grond gelegen om in het geval van appellant een bijzondere situatie aanwezig te achten, die afwijking van de functieschaal in voor appellant nadelige zin rechtvaardigt. Onvoldoende grondslag besluit. Vernietiging uitspraak en besluit. Bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2659 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 maart 2008, 07/893 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister).

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2009. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Horst, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als chauffeur/transportleider bij de Penitentiaire Inrichtingen [naam inrichting]. Bij besluit van 16 november 2006 is zijn functie geactualiseerd en opnieuw gewaardeerd. Daarbij is de waardering van salarisschaal 4 naar 5 gebracht. Als één van de functie-eisen is in de functiebeschrijving basisberoepsopleiding (hierna: BBO) vermeld (naast opleiding op LBO-niveau en rijbewijs BE). Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Tijdens een gesprek over zijn re-integratie op 25 november 2006 heeft zijn direct leidinggevende aan appellant meegedeeld dat hij een positief advies zal geven over diens inschaling; appellant zal de BBO niet meer hoeven te volgen.

1.3. Bij besluit van 12 februari 2007 is aan appellant een tweetal voorwaarden voor bevordering naar de nieuwe functieschaal meegedeeld: hij dient de BBO te volgen en met succes af te ronden en appellant dient blijkens een beoordeling minimaal een half jaar naar behoren te hebben gefunctioneerd. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, zal bevordering plaatsvinden met terugwerkende kracht tot oktober 2004, dit op grond van de toentertijd met appellant gemaakte afspraken over onderzoek en waardering van zijn functie.

1.4. Bij het bestreden besluit van 22 mei 2007 heeft de minister de bezwaren van appellant tegen het besluit van 12 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat appellant heeft berust in de nieuwe functiebeschrijving, en dat het met goed gevolg afleggen van de BBO als extra functie-eis is toegevoegd aan de functiebeschrijving. Nu er sprake is van een gewijzigde en geherwaardeerde functie, dient appellant aan alle functie-eisen te voldoen en dient hij bovendien naar behoren te functioneren om voor inschaling in schaal 5 in aanmerking te komen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 17 februari 1994, LJN ZB4999 en TAR 1994, 87 en CRvB 15 maart 2007, LJN BA1943 en TAR 2007, 142) is de in artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren (BBRA) vervatte mogelijkheid om inschaling in de functionele schaal nog achterwege te laten, uitdrukkelijk geformuleerd als een uitzondering op het in die bepaling gegeven uitgangspunt dat salariëring volgens de aan de hand van functiewaardering voor de functie vastgestelde schaal verloopt en is blijkens de bij die bepaling behorende toelichting deze mogelijkheid bedoeld voor toepassing in bijzondere situaties. Blijkens - onder meer - de uitspraak van de Raad van 23 juli 2003, LJN AI1292, leent die afwijkingsmogelijkheid zich ook voor toepassing in gevallen dat een functie wordt opgewaardeerd in verband met een taakverzwaring en de betrokken ambtenaar die verzwaarde taak duidelijk nog onvoldoende aankan.

3.2. De Raad staat voor de vraag of hier sprake was van een situatie die op één lijn kan worden gesteld met een geval als bedoeld aan het slot van 3.1 Naar het oordeel van de Raad is daarvan onvoldoende gebleken. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

3.3. Voor zover de Raad is kunnen blijken betrof het hier geen opwaardering van de functie in verband met een taakverzwaring die appellant nog niet aankon, maar ging het om het resultaat van functie-onderhoud waarover in oktober 2004 afspraken tussen appellant en zijn leidinggevende waren gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant de functie van chauffeur/transportleider reeds sinds omstreeks 1990 vervulde en dat er geen aanmerkingen waren op zijn functioneren. Bezien tegen deze achtergrond waren er naar het oordeel van de Raad geen goede gronden om van appellant te verlangen dat hij blijkens een beoordeling eerst een half jaar naar behoren zou hebben gefunctioneerd, alvorens hij voor inschaling in schaal 5 in aanmerking zou komen.

3.4. Wat betreft de opleidingseis van een voltooide BBO is de Raad uit de eerst in hoger beroep overgelegde oude functiebeschrijving, gedateerd 3 november 1999, gebleken dat daarin ook reeds de functie-eis van BBO was opgenomen. Het oordeel van de rechtbank, dat er sprake is van een (extra) functie-eis die is toegevoegd aan de nieuwe functiebeschrijving, berust derhalve op een onjuiste feitelijke grondslag.

3.5. De minister heeft het bestreden besluit mede gemotiveerd met de stelling, dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de PI [naam inrichting] en de daaruit voortvloeiende eisen niet toelaten om personeel zonder voldoende opleiding en vaardigheden uitvoering te laten geven aan de taak van het begeleiden van gedetineerden. Desgevraagd heeft de vertegenwoordiger ter zitting van de Raad ter toelichting verwezen naar een aantal incidenten met gedetineerden die zich sinds 2003 hebben voorgedaan.

3.6. De Raad merkt hierover op dat het op zichzelf goed voorstelbaar is, dat voortschrijdend inzicht meebrengt dat thans meer dan voorheen waarde wordt gehecht aan het (met succes) volgen van de BBO. De Raad moet echter tevens vaststellen, dat weliswaar blijkens de gedingstukken met appellant sinds 1996 enige malen is gesproken over de wenselijkheid van het gaan volgen van de BBO, maar dat zijn leidinggevenden steeds hebben berust in de opstelling van appellant, dat hij gelet op zijn ervaring en vaardigheden de BBO niet nodig had. Kennelijk werd het risico van het niet volgen van deze opleiding - ook na de genoemde incidenten - in het geval van appellant niet zodanig geacht, dat hem als dwingende eis werd gesteld de BBO te gaan volgen. Alles bijeengenomen acht de Raad in hetgeen namens de minister over deze functie-eis naar voren is gebracht onvoldoende grond gelegen om in het geval van appellant een bijzondere situatie aanwezig te achten, die afwijking van de functieschaal in voor appellant nadelige zin rechtvaardigt.

4. Uit het vorenstaande volgt dat de motivering van het bestreden besluit op onvoldoende grondslag berust, zodat dit besluit wegens strijd, met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 mei 2007;

Bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lammerse.

BvW