Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
08-2164 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat artikel 54a van het Barp de politieambtenaar ook in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte, een aanspraak op smartengeld geeft. Naar vaste rechtspraak (zie CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119) ontlenen individuele (politie)ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregels en niet aan een arbeidsvoorwaardenakkoord of het ontbreken daarvan. Evenmin kan de Raad betekenis toekennen aan het gegeven dat de collectieve dienstongevallenverzekering die de korpsbeheerders hebben afgesloten, geen dekking geeft bij invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte. De korpsbeheerder dient alsnog te (laten) onderzoeken of en in welke mate de beroepsziekte van appellant heeft geleid tot invaliditeit en welk percentage van het maximumbedrag aan smartengeld bij die mate van invaliditeit past. Voor zover nodig wijst de Raad er daarbij op dat de zogenoemde AMA-Guides for the Evaluation of Permanent Impairment ook criteria geven voor het vaststellen van het invaliditeitspercentage bij invaliditeit wegens psychische klachten. Vernietiging uitspraak en besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/21
ABkort 2009/484

Uitspraak

08/2164 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 maart 2008, 07/1719 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 1 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.L.J. van der Peet, werkzaam bij de politieregio Noord-Holland Noord.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1990 werkzaam als docent vuurwapeninstructie, sinds 1 april 1994 bij de politieregio Noord-Holland Noord en later als docent Integrale Beroepsvaardigheid Training (IBT) met als specialisme vuurwapeninstructie.

1.2. In de nacht van 1 januari 2001 is appellant na een familiebezoek bij terugkeer in zijn woonplaats [woonplaats], dat gelegen is in de politieregio [regio], geconfronteerd met de gevolgen van de brand in café [naam café]. Appellant heeft vervolgens hulp verleend aan slachtoffers van de brand. Onder deze slachtoffers bevonden zich bekenden van appellant.

1.3. Op 2 januari 2001 heeft appellant zich wegens psychische klachten ziek gemeld. Uiteindelijk is bij appellant onder meer een post traumatische stress stoornis (hierna: PTSS) vastgesteld. Bij brief van de korpschef van 26 april 2002 is appellants ziekte aangemerkt als beroepsziekte en is hem meegedeeld dat overeenkomstig artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging aan hem worden vergoed. Vervolgens is appellant met ingang van 1 mei 2003 ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Appellant ontvangt een arbeidsongeschikt-heidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4. Bij brief van 18 juni 2003 is de korpsbeheerder namens appellant aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, als gevolg van zijn hulpverlening bij de ramp op 1 januari 2001. Bij besluit van 7 juli 2003 heeft de korpsbeheerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen en heeft hij het verzoek tot vergoeding van de schade afgewezen. Volgens de korpsbeheerder is geen sprake geweest van schending van de op hem als werkgever rustende zorgplicht.

Het besluit van 7 juli 2003 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2004. Bij dat besluit is tevens het in het aanvullend bezwaarschrift gedane verzoek om toekenning van smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp afgewezen.

1.5. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 mei 2005 het beroep van appellant tegen het besluit van 6 april 2004 ongegrond verklaard.

1.6. Beslissend in het hoger beroep tegen de uitspraak van 19 mei 2005 heeft de Raad in zijn uitspraak van 28 september 2006, LJN AY9704, overwogen dat het besluit van 6 april 2004, voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek om smartengeld op grond van artikel 54a Barp (hierna: 54a-besluit), als een primair besluit moet worden gezien en dat de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. De Raad heeft de uitspraak van 19 mei 2005 in zoverre vernietigd en het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

1.7. De korpsbeheerder heeft bij het bestreden besluit van 11 juni 2007 het bezwaar van appellant tegen het 54a-besluit ongegrond verklaard. In een brief van 17 september 2007 heeft de korpsbeheerder de motivering van het bestreden besluit aangevuld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de Nota van toelichting bij invoering van artikel 54a van het Barp (Stb. 1999, nr. 131; hierna: NvT) blijkt dat beoogd is om toekenning van smartengeld te beperken tot dienstongevallen die blijvend letsel hebben veroorzaakt, waaronder blijkens de NvT moeten worden verstaan gevallen waarin sprake is van blijvend functieverlies van een lichaamsdeel. Voor deze opvatting heeft de rechtbank steun gevonden in de op grond van artikel 54a, vierde lid, van het Barp vastgestelde Regeling uitkering dienstongevallen politie, die op 2 november 2007 in werking is getreden (Stcrt. 31 oktober 2007, nr. 211, gecorrigeerd in Stcrt. 9 november 2007, nr. 218; hierna: Regeling), en niet voorziet in het toekennen van smartengeld bij psychisch letsel.

2.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de korpsbeheerder erkent dat in zijn geval sprake is van een beroepsziekte, dat hij invalide is en dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat artikel 54a van het Barp dwingend recht is. In de visie van appellant dient de Regeling buiten beschouwing te worden gelaten omdat de Regeling alleen betrekking heeft op dienstongevallen en kan het feit dat de politieregio Noord-Holland Noord het risico van beroepsziekte niet (goed) verzekerd heeft, niet tot gevolg hebben dat geen smartengeld aan hem hoeft te worden betaald.

2.2. De korpsbeheerder heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de psychische aandoening van appellant niet valt onder het begrip “invaliditeit” zoals bedoeld in artikel 54a van het Barp. Volgens de korpsbeheerder blijkt uit de NvT dat het bij invaliditeit moet gaan om feitelijk ondergaan, blijvend letsel, waaronder wordt verstaan: invalide raken, of lichaamsfuncties, ledematen of niet vitale organen verliezen.

Voorts is aangevoerd dat in de periode tussen 24 februari 1997 en 2 november 2007 uitvoering aan de aanspraken op grond van artikel 54a van het Barp is gegeven aan de hand van de collectieve dienstongevallenverzekering (hierna: verzekering). De verzekering dekt alleen invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval.

Onder deze omstandigheden meent de korpsbeheerder dat hij, zolang de nadere afspraken over de reikwijdte van het begrip beroepsziekte niet zijn gemaakt, geen smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp hoeft uit te keren indien sprake is van invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Artikel 54a van het Barp dat met terugwerkende kracht tot en met 24 februari 1997 in werking is getreden, luidt, voor zover van belang, als volgt.

“1. Ingeval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 136.100,-.

4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.”

3.2. In artikel 1, aanhef en onder y, van het Barp is het begrip beroepsziekte gedefinieerd als: een ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. In artikel 1, aanhef en onder z, is tevens het begrip dienstongeval gedefinieerd. In het Barp is niet gedefinieerd wat moet worden verstaan onder invaliditeit in de zin van artikel 54a van het Barp.

3.3. Artikel 54a van het Barp is een uitvloeisel van het Akkoord arbeidsvoorwaarden en werkgelegenheid sector politie 1997-1998. Nadere regels als bedoeld in artikel 54a, vierde lid, van het Barp zijn pas tot stand gekomen door invoering per 2 november 2007 van de onder 2 genoemde Regeling. De Regeling regelt slechts de aanspraak op smartengeld indien sprake is van invaliditeit, zoals in de Regeling nader gedefinieerd, tengevolge van een dienstongeval.

3.4. De Raad stelt vast dat artikel 54a van het Barp de politieambtenaar ook in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte, een aanspraak op smartengeld geeft. Dat de invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte door de minister niet nader is genormeerd in een Regeling als bedoeld in artikel 54a, vierde lid, van het Barp kan niet betekenen dat, in weerwil van het eerste lid, bij beroepsziekte in het geheel geen aanspraak op smartengeld bestaat. Evenmin kan daaraan afdoen, gelet op de definiëring van het begrip beroepsziekte in artikel 1, aanhef en onder y, van het Barp, dat in het arbeidsvoorwaardenoverleg nog geen nadere afspraken over de reikwijdte van het begrip beroepsziekte tot stand zijn gekomen. Naar vaste rechtspraak (zie CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119) ontlenen individuele (politie)ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregels en niet aan een arbeidsvoorwaardenakkoord of het ontbreken daarvan. Evenmin kan de Raad betekenis toekennen aan het gegeven dat de collectieve dienstongevallenverzekering die de korpsbeheerders hebben afgesloten, geen dekking geeft bij invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte.

3.5. Nu de korpsbeheerder reeds in 2002 de ziekte van appellant heeft erkend als beroepsziekte en nu algemeen aanvaard is dat ook psychische beperkingen kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, zal de korpsbeheerder alsnog dienen te (laten) onderzoeken of en in welke mate de beroepsziekte van appellant heeft geleid tot invaliditeit en welk percentage van het maximumbedrag aan smartengeld bij die mate van invaliditeit past. Voor zover nodig wijst de Raad er daarbij op dat de zogenoemde AMA-Guides for the Evaluation of Permanent Impairment ook criteria geven voor het vaststellen van het invaliditeitspercentage bij invaliditeit wegens psychische klachten.

3.6. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 juni 2007;

Draagt de korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

BvW