Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08/2334 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De Raad overweegt dat de door appellante gestelde misstanden, zoals de vrouwonvriendelijke mannencultuur waartegen zij onvoldoende zou zijn beschermd door haar leidinggevenden, de bedreigingen en intimidaties door collega’s, de valse beschuldiging door een collega en het tegen haar opzetten van collega’s, niet met concrete gegevens of voorbeelden zijn onderbouwd. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat zij is blootgesteld geweest aan genoemde gedragingen en schade zou hebben geleden als gevolg van handelen waarvoor de minister uit hoofde van zijn zorgplicht verantwoordelijk is. De gevoelens van appellante bieden daartoe een onvoldoende grondslag en de omstandigheid dat appellante zich tijdens haar functioneren als teamleider op die wijze behandeld heeft gevoeld, leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel. Gezien het vorenstaande komt de Raad niet meer toe aan het geven van een oordeel over de omvang van de gevorderde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2334 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 25 maart 2008, 06/4535 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister).

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Loenhout, juridisch adviseur te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Horst, P.M.L. van de Rijt en O.J.F.G. Mulders, allen werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellante was sinds 1 februari 1998 werkzaam als penitentiair inrichtingswerker bij de penitentiaire inrichting [naam inrichting] te [vestigingsplaats]. Met ingang van 1 september 2002 is zij aangesteld in de functie teamleider complexbeveiliging. Op 13, 16 en 21 september 2004 zijn door leidinggevenden en p&o medewerkers gesprekken met appellante gevoerd over haar functioneren en de problemen die zij ondervond met collega’s. Daarna volgde een periode van buitengewoon verlof en ziekte. In januari en februari 2005 heeft appellante enkele weken administratieve werkzaamheden verricht. Vervolgens is naar een functie gezocht voor appellante bij een andere penitentiaire inrichting. Met ingang van 9 mei 2005 is appellante voor de duur van 4 maanden belast met de taken van de functie penitentiair inrichtingswerker. Op 13 juni 2005 heeft appellante zich ziek gemeld, waarna zij genoemde werkzaamheden niet meer heeft hervat. Bij brief van 23 augustus 2005 heeft de gemachtigde van appellante meegedeeld dat appellante nog steeds aanspraak maakt op haar functie van teamleider, hetgeen ertoe heeft geleid dat appellante met ingang van 5 september 2005 in haar eigen functie heeft hervat. Nadat appellante had aangegeven dat zij in die functie niet meer op haar plek zat en zij haar werkzaamheden had neergelegd, is haar met ingang van 7 september 2005 wederom buitengewoon verlof verleend en is afgesproken dat een passende functie zal worden gezocht.

1.3. Bij brief van 7 februari 2006 is aan appellante bevestigd dat in overeenstemming met de gemaakte afspraken, zij per 1 april 2006 wordt overgeplaatst naar de functie forensisch psychiatrisch begeleider bij de penitentiaire inrichting de [naam inrichting 2] te [provincie].

1.4. Bij brief van 27 maart 2006 heeft appellante verzocht om vergoeding van juridische kosten ten bedrage van € 3.432,89 en vergoeding van immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van verlies van haar functie als leidinggevende, ter hoogte van een bruto jaarsalaris.

Bij brief van 3 april 2006 zijn specificaties gevraagd van de juridische kosten en is het verzoek om vergoeding van de schade ten bedrage van een jaarsalaris afgewezen. Bij brief van 29 mei 2006 is appellante meegedeeld dat afspraken over verdeling van juridische kosten pas worden gemaakt als de besluiten onherroepelijk zijn. Het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 2 oktober 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegende dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van handelen van haar werkgever.

3. De grieven van appellante in hoger beroep zijn een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat het handelen ten gevolge waarvan appellante stelt schade te hebben geleden niet kan worden onderbouwd met concrete voorvallen, maar dat de onderbouwing daarvan is gelegen in de gevoelens en het ervaren van appellante.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad merkt allereerst op dat de gevorderde schadevergoeding niet is gerealateerd aan het overplaatsingsbesluit nu dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daarbij dat de door appellante gestelde misstanden, zoals de vrouwonvriendelijke mannencultuur waartegen zij onvoldoende zou zijn beschermd door haar leidinggevenden, de bedreigingen en intimidaties door collega’s, de valse beschuldiging door een collega en het tegen haar opzetten van collega’s, niet met concrete gegevens of voorbeelden zijn onderbouwd. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat zij is blootgesteld geweest aan genoemde gedragingen en schade zou hebben geleden als gevolg van handelen waarvoor de minister uit hoofde van zijn zorgplicht verantwoordelijk is. De gevoelens van appellante bieden daartoe een onvoldoende grondslag en de omstandigheid dat appellante zich tijdens haar functioneren als teamleider op die wijze behandeld heeft gevoeld, leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel.

Gezien het vorenstaande komt de Raad niet meer toe aan het geven van een oordeel over de omvang van de gevorderde schade.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lammerse.

BvW