Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-2232 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Handel in auto's. Transactiemaanden. Wat betreft de systematische bestandsuitwisseling met de RDW kan niet gesproken worden van bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Deze gegevens kunnen aanleiding geven voor het bijstandsverlenende orgaan om een nader onderzoek in te stellen, zoals in dit geval ook is gebeurd. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie inzake de koop en verkoop van de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2232 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 maart 2008, 07/4512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten en S.G. Tahir, tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. de Feijter, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant en zijn toenmalige partner, [naam partner], ontvingen in de periode 11 juli 2002 tot en met 31 juli 2005 bijstand naar de norm voor een echtpaar.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het College het bezwaar gericht tegen het besluit van 20 februari 2006 waarbij het College de bijstand over de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 december 2004 heeft herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden van appellant heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat de intrekking en terugvordering is beperkt tot de maanden januari, februari, mei, oktober en november 2003 en maart, april, mei en augustus 2004 (hierna: de zogeheten transactiemaanden).

1.3. Het beroep gericht tegen het besluit van 25 juli 2006 is bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juni 2007, 06/4918, gegrond verklaard. Het besluit is vernietigd en het College is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

1.4. Bij besluit van 19 september 2007 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 14 juni 2007 het bezwaar gericht tegen het besluit van 20 februari 2006 wederom gedeeltelijk gegrond verklaard. De periode van intrekking is, onder aanvulling van de motivering, beperkt tot de transactiemaanden. De hoogte van de terugvordering is vastgesteld op € 12.364,02. Voor het overige is het besluit van 20 februari 2006 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit 19 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat blijkens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) in de periode van juni 2002 tot en met november 2005 vijftien auto’s op naam van appellant hebben gestaan, merendeels gedurende korte tijd. Uit de registratie blijkt voorts dat het om auto’s gaat die gemiddeld tien jaar oud zijn en merendeels aan derden zijn overgedragen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 november 2005, LJN AU7252) gaat hij ervan uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van een betrokkene staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden.

4.2. Wat betreft de grief van appellant dat het College de besluitvorming niet had mogen baseren op de van de RDW afkomstige gegevens inzake kentekenregistratie verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 24 juni 2008, LJN BD5289 en van 30 juni 2008, LJN BD6241. Hierin heeft hij geoordeeld dat wat betreft de systematische bestandsuitwisseling met de RDW niet gesproken kan worden van bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Deze gegevens kunnen aanleiding geven voor het bijstandsverlenende orgaan om een nader onderzoek in te stellen, zoals in dit geval ook is gebeurd. Dit betekent dat het College de besluitvorming had mogen baseren op de van de RDW afkomstige gegevens.

4.3. Appellant betwist niet dat hij geen melding heeft gemaakt van de auto’s en de gedane transacties. Hij stelt dat hij niet wist dat hij van de aanschaf, het bezit en de verkoop van de auto’s melding had moeten doen, nu de - oude - auto’s uitsluitend voor eigen gebruik waren bedoeld. Onder verwijzing naar het beleid van het College op grond waarvan een auto slechts tot het vermogen wordt gerekend indien deze nog geen zeven jaar is dan wel een waarde vertegenwoordigt van meer dan € 1.400,--, is appellant bovendien van mening dat met betrekking tot de auto’s geen meldingsplicht gold, noch dat hij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij van de auto’s wel melding had moeten doen.

4.4. De Raad is van oordeel dat op grond van de van de RDW verkregen gegevens zoals genoemd in 4.1 en op basis van het door het College uitgevoerde nadere onderzoek appellants stelling dat uitsluitend sprake was van auto’s voor consumptief gebruik onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De Raad merkt hierbij op dat aan de door appellant eerst ter zitting in hoger beroep verstrekte mondelinge toelichting over de aanschaf en verkoop van de verschillende auto’s niet die waarde kan worden gehecht die appellant hieraan gehecht wenst te zien.

4.5 Voorts moet naar het oordeel van de Raad het appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het bezit van een of meerdere auto’s van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Niet alleen vanwege de waarde die deze auto’s in het economische verkeer (kunnen) vertegenwoordigen, maar ook vanwege eventuele op geld waardeerbare activiteiten en transacties die met betrekking tot die auto’s plaatsvinden. Voor zover bij appellant nog enige twijfel zou hebben bestaan over de relevantie van het autobezit en/of de aanschaf en verkoop, had het op zijn weg gelegen om het College tijdig over een en ander in te lichten, waarna het aan het College zou zijn geweest de gevolgen voor de bijstandsverlening te beoordelen. Door van deze activiteiten geen melding te maken, is appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

4.6. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie inzake de koop en verkoop van de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen. De Raad voegt hieraan toe dat uit het feit dat sprake is van oude auto’s niet afgeleid kan worden dat de transacties geen invloed op de bijstandsverlening

- kunnen - hebben.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB), de bijstand van appellant over de maanden januari, februari, mei, oktober en november 2003 en maart, april, mei en augustus 2004 in te trekken. De Raad stelt vast dat het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over voornoemde perioden. Het College heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregels had moeten afwijken. De omstandigheid dat appellant in een schuldsaneringtraject zit maakt dit niet anders.

4.9. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) B. E. Giesen.

IJ