Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-2116 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Handel in auto's. Transactiemaanden. De Raad is van oordeel dat op grond van de van de RDW verkregen gegevens (...) en op basis van het door het College uitgevoerde nadere onderzoek appellants stelling dat uitsluitend sprake was van auto’s voor consumptief gebruik onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2116 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 maart 2008, 07/3571 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. Schadd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. de Feijter, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante en haar toenmalige partner, [naam partner], ontvingen in de periode 11 juli 2002 tot en met 31 juli 2005 bijstand naar de norm voor een echtpaar.

1.2. Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het College het bezwaar gericht tegen het besluit van 20 februari 2006 waarbij het College de bijstand over de periode 1 februari 2003 tot en met 31 december 2004 heeft herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden van appellante heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard met dien verstande dat de grondslag voor de intrekking en de terugvordering is aangepast en is beperkt tot de maanden januari, februari, mei, oktober en november 2003 en maart, april, mei en augustus 2004 (de zogeheten transactiemaanden).

1.3. Het beroep gericht tegen het besluit van 18 oktober 2006 is bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2007, 06/595, gegrond verklaard, het besluit is vernietigd en het College is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

1.4. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2007 het bezwaar gericht tegen het besluit van 20 februari 2006 wederom gedeeltelijk gegrond verklaard. De periode van intrekking is, onder aanvulling van de motivering, beperkt tot de transactiemaanden. De hoogte van de terugvordering is vastgesteld op € 12.364,02.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat blijkens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) in de periode van juni 2002 tot november 2005 vijftien auto’s op naam van [naam partner] hebben gestaan, merendeels gedurende korte tijd. Uit de registratie blijkt dat het om auto’s gaat die gemiddeld tien jaar oud zijn en merendeels aan derden zijn overgedragen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 november 2005, LJN AU7252), gaat hij ervan uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van betrokkene staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden.

4.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de - oude - auto’s op naam van [naam partner] alleen voor eigen gebruik waren.

4.3. De Raad is van oordeel dat op grond van de van de RDW verkregen gegevens zoals genoemd in 4.1 en op basis van het door het College uitgevoerde nadere onderzoek appellants stelling dat uitsluitend sprake was van auto’s voor consumptief gebruik onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

4.4. Voorts moet naar het oordeel van de Raad het appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het bezit van een of meerdere auto’s van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Niet alleen vanwege de waarde die deze auto’s in het economische verkeer (kunnen) vertegenwoordigen, maar ook vanwege eventuele op geld waardeerbare activiteiten en transacties die met betrekking tot die auto’s plaatsvinden. Voor zover bij appellante nog enige twijfel zou hebben bestaan over de relevantie van het autobezit en/of de aanschaf en verkoop, had het op haar weg gelegen om het College tijdig over een en ander in te lichten, waarna het aan het College zou zijn geweest de gevolgen voor de bijstandsverlening te beoordelen. Door van deze activiteiten geen melding te maken, is appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

4.5. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie inzake de koop en verkoop van de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de transactie- maanden niet is vast te stellen. De Raad voegt hieraan toe dat uit het feit dat sprake is van oude auto’s niet afgeleid kan worden dat de transacties geen invloed op de bijstandsverlening - kunnen - hebben.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB), de bijstand van appellante over de maanden januari, februari, mei, oktober en november 2003 en maart, april, mei en augustus 2004 in te trekken.

De Raad stelt vast dat het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) Awb van deze beleidsregels had moeten afwijken.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB over te gaan tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over voornoemde perioden. Het College heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering in overeenstemming met de terzake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) Awb van deze beleidsregels had moeten afwijken. De omstandigheid dat appellante in een schuldsaneringtraject zit maakt dit niet anders.

4.8. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman

(get.) B.E. Giesen

MM