Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-3613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad acht de medische onderbouwing van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam toegelicht dat de aan appellante geduide functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2008 , 07/4509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend vergezeld van een notitie van P. de Zeeuw, bezwaararbeidsdeskundige.

Voormelde gemachtigde heeft op 11 augustus 2009 nog een brief van appellante in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Namens appellante was voormelde gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als kantinemedewerkster en conciërge, is op 18 januari 1996 uitgevallen met klachten in verband met fybromyalgie en spanningsklachten. Aan haar is door het Uwv per 19 januari 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft het Uwv appellante bericht dat is besloten haar WAO-uitkering per 2 oktober 2007 in te trekken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. Daaraan ligt een onderzoek van een verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag, die de voor appellante per datum in geding geldende beperkingen heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Door een arbeidsdeskundige van het Uwv is een aantal functies geduid welke voor appellante gelet op deze beperkingen geschikt zijn te achten en waarmee zij ten minste 85% kan verdienen van het zogenoemde maatmaninkomen. Tevens heeft de arbeidsdeskundige de overschrijdingen van de belastbaarheid die eventueel in deze functies zouden kunnen voorkomen in een bijlage bij diens rapport toegelicht. Op 6 juli 2007 is ten aanzien van appellante een reintegratie-visie opgesteld. Het namens appellante tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaar is, nadat de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman op 3 december 2007 rapport had uitgebracht, bij besluit van 6 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. In dit besluit is – naar aanleiding van het bezwaar van appellante dat haar oude functie van conciërge waarvoor zij ongeschikt wordt geacht, lichter is dan de functies waarvoor zij wel geschikt wordt geacht – opgemerkt, dat blijkens de vaststelling door de arbeidsdeskundige tot haar vroegere werk ook (klein) onderhoudswerk behoorde waardoor dat werk ook knie,- enkel- en rugbelastend was (althans in dit opzicht meer belastend dan de geduide functies). Ook is in het bestreden besluit vermeld dat de reintegratie-visie wordt gehandhaafd, omdat appellante in staat is aangepast werk te gaan verrichten.

2. Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep zijn namens appellante voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald. Daarbij is wederom gesteld dat haar vroegere werk van conciërge lichter was dan de voor haar geselecteerde functies. Tevens heeft zij opgemerkt het vreemd te achten dat zij in de FML beperkt wordt geacht voor het gebruik van toetsenbord en muis, terwijl in de geduide functies repeterende handelingen voorkomen die fijne motoriek vereisen. Meer in het algemeen acht appellante zich (veel) meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Tot slot heeft zij er op gewezen dat zij in 2008 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad stelt voorop dat in het geding in hoger beroep blijkens het hoger beroepschrift uitsluitend de intrekking van de WAO-uitkering van appellante aan de orde is.

4.3. De Raad acht de medische onderbouwing van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. De grief van appellante met betrekking tot de vergelijking tussen haar vroegere werk en de (belasting van de) geduide functies, is in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken afdoende weerlegd. Met betrekking tot de grief van appellante betreffende het eventueel voorkomen van repeterende handelingen in de geduide functies in relatie tot de door haar genoemde in de FML opgenomen beperking, zij erop gewezen dat zij in de FML niet beperkt wordt geacht voor hand- en vingergebruik; bovendien is de aard van de belasting bij het gebruik van toetsenbord en muis een andere dan die behorend bij de handelingen waarop appellante doelt in de voor haar geselecteerde functies. Appellante heeft geen stukken in het geding gebracht die twijfel kunnen wekken aan de medische basis van de in de FML opgenomen beperkingen. Dat bij appellant naar zij stelt in 2008 de ziekte van Raynaud is vastgesteld kan hieraan niet afdoen nu dit speelt na de datum in geding.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam toegelicht dat de aan appellante geduide functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.