Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
09-2430 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Juistheid medische grondslag. Geduide functies zijn geschikt. De Raad overweegt (...) dat, - daargelaten het feit dat uit het patiëntendossier van appellante en eerdere verzekeringsgeneeskundige rapportages niet blijkt dat de behandelend sector ten aanzien van de klachten van appellante heeft vastgesteld dat er sprake is van reuma - in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving niet zozeer de diagnose van belang is, maar de hieruit voor betrokkene voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellante heeft niet middels medische stukken aangetoond dat haar beperkingen door het Uwv onjuist zijn vastgesteld. De Raad is uit de medische stukken voorst niet gebleken dat appellante ten tijde hier in geding psychische beperkingen had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2430 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 maart 2009, 07/2135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft T.L. Kok, werkzaam bij Kok Fiscale Dienstverlening te Kampen, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft haar hoger beroep bij schrijven van 31 juli 2009 nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door voormelde gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt in verband met pijnklachten van het bewegingsapparaat een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is in september 2006 in het kader van de aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dit besluit per 1 oktober 2004 luidt, herbeoordeeld. De verzekeringsarts G. van den Brandhof heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat appellante vanwege fibromyalgie beperkt is in haar belastbaarheid. Van den Brandhof heeft appellante duurzaam inzetbaar geacht voor arbeid en heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 september 2006. De arbeidsdeskundige J.F. Walthie heeft vastgesteld dat er voor appellante geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde. Het Uwv heeft appellante daarop bij besluit van 20 december 2006 medegedeeld dat haar WAO-uitkering ingaande 21 februari 2007 wordt ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 20 december 2006 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante op basis van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke van 27 augustus 2007 ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 6 november 2007 (hierna: het bestreden besluit). Met de in de FML van 19 september 2006 neergelegde beperkingen wordt naar de mening van Fokke in voldoende mate tegemoetgekomen aan de klachten van appellante. Hoewel appellante een volledig onvermogen tot het verrichten van arbeid claimt, voldoet zij naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet aan de criteria zoals beschreven in de standaard ‘Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden’. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts geen reden gezien om een urenbeperking aan te nemen omdat de in de standaard ‘Verminderde Arbeidsduur’ neergelegde indicaties voor het aannemen van een urenbeperking niet op appellante van toepassing zijn.

3.1. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft in de medische grieven van appellante in beroep geen reden gezien om af te wijken van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts aangaande de belastbaarheid van appellante. De verzekeringsartsen hebben naar de mening van Bakker in ruime mate rekening gehouden met de beperkingen van appellante, ondanks dat deze niet goed te objectiveren zijn. De bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk heeft in zijn rapportage van 28 januari 2008 toegelicht dat onder andere de functie machinaal metaalbehandelaar, exclusief bankwerk, (sbc-code 264121) niet langer gehandhaafd kan worden voor de schatting, maar dat er voldoende passende functies resteren. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bedraagt volgens Van Dijk ongewijzigd minder dan 15%.

3.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag is gebaseerd. Wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat hetgeen door appellante in beroep is gesteld geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen van appellante onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank onderschrijft hetgeen de bezwaarverzekeringsarts Fokke in haar rapportage van 27 augustus 2007 en de bezwaarverzekeringsarts Bakker in haar rapportage van 17 januari 2008 hebben gesteld. De rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts Bakker gevolgd in haar oordeel dat er bij appellante geen sprake is van reuma bij fibromyalgie. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige Van Dijk genoegzaam heeft aangetoond dat appellante de in de rapportage van 28 januari 2008 aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan verrichten.

4. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft appellante gesteld dat sprake is van onzorgvuldig medisch onderzoek en dat haar beperkingen zijn miskend. Appellante gebruikte zwaardere medicatie dan is verwoord in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Fokke. Voorts heeft appellante zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat er bij haar geen sprake is van reuma. Appellante heeft daartoe verwezen naar het voorwoord in het boek ‘Geen dag zonder pijn’. Appellante acht zich niet in staat arbeid (of werk in de voor haar geduide functies) te verrichten.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt daartoe dat, - daargelaten het feit dat uit het patiëntendossier van appellante en eerdere verzekeringsgeneeskundige rapportages niet blijkt dat de behandelend sector ten aanzien van de klachten van appellante heeft vastgesteld dat er sprake is van reuma - in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving niet zozeer de diagnose van belang is, maar de hieruit voor betrokkene voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellante heeft niet middels medische stukken aangetoond dat haar beperkingen door het Uwv onjuist zijn vastgesteld. De Raad is uit de medische stukken voorst niet gebleken dat appellante ten tijde hier in geding psychische beperkingen had.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de gecorrigeerde FML van 17 januari 2008, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op grond hiervan minder dan 15% bedraagt, heeft het Uwv de uitkering van appellante terecht ingetrokken.

5.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM