Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-5502 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige psychiater Koerselman gevolgd. de rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een adequate medische grondslag berust en dat in voldoende mate met de beperkingen van appellant rekening is gehouden. Nu appellant in hoger beroep zijn standpunt niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. De grief van appellant, dat hij na 20 juni 2006 nog steeds volledig arbeidsongeschikt is omdat hem vanaf 21 juni 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend, kan niet slagen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank. Mitsdien komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5502 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juli 2008, 06/3594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding tussen partijen bij de Raad bekend onder 08/7003 ZW, plaatsgevonden op 13 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Diepen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Nadat het onderzoek is voltooid, is behandeling van de gedingen ter zitting met toestemming van partijen achterwege gebleven. Ter afhandeling zijn de gedingen vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 14 oktober 1993 als gevolg van psychische klachten en epileptische aanvallen uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker. Aansluitend aan de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 14 december 2005 onderzocht door de verzekeringsarts F. Dekker, die in zijn rapportage van 8 maart 2006 heeft aangegeven dat appellant in verband met zijn psychische klachten beperkingen ondervindt in het omgaan met eindverantwoordelijkheid, met tijdsdruk en met conflicten en dat appellant in verband met zijn epileptiforme aanvallen niet beroepsmatig moet autorijden en niet op hoogtes of met gevaarlijke machines moet werken. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 maart 2006. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige R. Ravesteijn een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant. Op basis daarvan is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 25 tot 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2006 de WAO-uitkering van appellant dienovereenkomstig herzien met ingang van 20 juni 2006.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie tijdens de hoorzitting en van de behandelend sector, in haar rapportage van 23 augustus 2006 aangegeven dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de beoordeling door de primaire verzekeringsarts. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk in zijn rapportage van 24 augustus 2006 geconcludeerd dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt worden geacht, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid, na bijstelling van het maatgevende loon, leidt tot indeling in de klasse van 35 tot 45%. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2006 bij besluit van 28 augustus 2006 (het bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 juni 2006 vastgesteld op 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek van de door haar benoemde deskundige psychiater professor dr. G.F. Koerselman heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een adequate medische grondslag berust en dat er geen reden is om het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 juni 2006 in voldoende mate met zijn beperkingen rekening is gehouden. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellant voorgehouden functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, zijn aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde beperkingen. Gelet op de loonwaarde van deze functies in vergelijking met het laatst verdiende loon van appellant heeft dat naar het oordeel van de rechtbank terecht geleid tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ook na 20 juni 2006 wegens epilepsie en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt was, in welk verband hij erop heeft gewezen dat aan hem per 21 juni 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige psychiater Koerselman gevolgd. Deze deskundige heeft aangegeven dat bij appellant op de datum in geding sprake was van een dysthyme stoornis en van een nagebootste stoornis in combinatie met narcistische persoonlijkheidstrekken, welke leiden tot beperkingen bij het verrichten van werkzaamheden op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren. De deskundige was van oordeel dat de beperkingen die door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn geformuleerd in de FML van 8 maart 2006 passen bij de door hem onderschreven diagnose van de bezwaarverzekeringsarts en eveneens rekening houden met de specifieke culturele factoren. Naar aanleiding van de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens heeft de deskundige zijn standpunt zorgvuldig heroverwogen, hetgeen niet heeft geleid tot een wijziging van diens conclusies. Mitsdien is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een adequate medische grondslag berust en dat in voldoende mate met de beperkingen van appellant rekening is gehouden. Nu appellant in hoger beroep zijn standpunt niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen kan de grief van appellant, dat hij na 20 juni 2006 nog steeds volledig arbeidsongeschikt is omdat hem vanaf 21 juni 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend, dan ook niet slagen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad eveneens het oordeel van de rechtbank. Mitsdien komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

TM