Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
09-891 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat laatstgenoemde stelling van de bezwaarverzekeringsarts rust op een onjuiste lezing en/of verkeerde weergave van de in rechtsoverwegingen 5 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven motivering. Die motivering komt erop neer dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts louter op basis van eigen onderzoek en waarneming tot de conclusie zijn gekomen dat geen sprake meer is van ernstig persoonlijk en sociaal disfunctioneren, terwijl de behandelend psychiater Bissessur wel gevolgd wordt in zijn conclusie dat sprake is van een chronische psychische stoornis. Dit tegen de achtergrond dat appellant mede op basis van de inlichtingen van de behandelend psychiater Bissessur bij betrokkene sinds 1996 onveranderd wegens haar psychische klachten geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) tot het verrichten van arbeid aanwezig heeft geacht, dat bij de zogeheten vijfdejaars herbeoordeling op 4 november 2002 dit standpunt door de verzekeringsarts opnieuw is ingenomen, en dat psychiater Bissessur in september 2006 melding maakt van een verergering van de chronische depressieve klachten na een uterusextirpatie, welke informatie aan de (bezwaar)verzekeringsarts bekend was. De rechtbank heeft - terecht - bij haar oordeel de feitelijke omstandigheden van dit geval betrokken, waaronder de omstandigheden dat de inlichtingen van psychiater Bissessur in het verleden mede aan de vaststelling dat bij betrokkene sprake was van een situatie van GDBM ten grondslag hebben gelegen en dat de door hem gestelde diagnose door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts wordt gedeeld. Het oordeel van de rechtbank is noch onbegrijpelijk noch rechtens onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/891 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2009, 07/2437

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [Naam T.] zich als gemachtigde gesteld.

Betrokkene heeft van de haar geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de door de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak weergegeven feiten en omstandigheden. De Raad volstaat hier met de vermelding dat appellant bij besluit van 25 juli 2007 (het bestreden besluit) zijn besluit van 23 oktober 2006 heeft gehandhaafd. Daarbij is de eertijds naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering met ingang van 20 december 2006 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, vernietigd, omdat dit op een ondeugdelijke medische grondslag berust, nu de verzekeringsarts gelet op de aard, de ernst en de duur van de aandoeningen een ter zake deskundige had dienen te raadplegen, alvorens tot een medisch standpunt te komen. De Raad verwijst voor de uitgebreide motivering van deze beslissing kortheidshalve naar de overwegingen 5 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak die aan deze uitspraak is gehecht.

3. Appellant heeft zich met het oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen. Onder overlegging van een rapport van 24 februari 2009 van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft appellant aangevoerd dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts een deugdelijk oriënterend psychisch en lichamelijk onderzoek hebben gedaan. Daarbij is tevens informatie van de behandelend sector bij de beoordeling meegewogen waaronder de informatie van de huisarts en psychiater Bissessur. Van twijfel over de diagnose was volgens appellant geen sprake nu immers niet bestreden wordt dat de diagnose een ‘depressief syndroom’ betreft. De behandelaar, in casu psychiater Bissessur, is ook niet de persoon die in het kader van een WAO-beoordeling een oordeel velt over de belastbaarheid. Het is de (bezwaar)verzekeringsarts, aldus appellant, die uitgaat van zijn eigen deskundigheid en dus ook vanuit zijn professie de belastbaarheid mag en kan vaststellen. Het enkele feit dat betrokkene al tien jaar uitkering ontvangt maakt dit ook niet anders; de bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportages gemotiveerd waarom er, in tegenstelling tot perioden eerder, nu wel sprake is van belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport onder meer nog opgemerkt dat niet behoeft te worden voortgeborduurd op eerdere (verzekeringsgeneeskundige) oordelen die niet (meer) navolgbaar zijn en dat de rechtbank voor haar oordeel dat een aanvullende expertise (door een psychiater) niet achterwege had mogen blijven uitsluitend aanvoert dat appellante tien jaar uitkering had ontvangen en dat de behandelend psychiater Bissessur een afwijkend oordeel had.

4. De Raad is van oordeel dat laatstgenoemde stelling van de bezwaarverzekeringsarts rust op een onjuiste lezing en/of verkeerde weergave van de in rechtsoverwegingen 5 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven motivering. Die motivering komt erop neer dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts louter op basis van eigen onderzoek en waarneming tot de conclusie zijn gekomen dat geen sprake meer is van ernstig persoonlijk en sociaal disfunctioneren, terwijl de behandelend psychiater Bissessur wel gevolgd wordt in zijn conclusie dat sprake is van een chronische psychische stoornis. Dit tegen de achtergrond dat appellant mede op basis van de inlichtingen van de behandelend psychiater Bissessur bij betrokkene sinds 1996 onveranderd wegens haar psychische klachten geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) tot het verrichten van arbeid aanwezig heeft geacht, dat bij de zogeheten vijfdejaars herbeoordeling op 4 november 2002 dit standpunt door de verzekeringsarts opnieuw is ingenomen, en dat psychiater Bissessur in september 2006 melding maakt van een verergering van de chronische depressieve klachten na een uterusextirpatie, welke informatie aan de (bezwaar)verzekeringsarts bekend was.

5. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt is voor het oordeel van de rechtbank derhalve niet uitsluitend maatgevend geweest dat appellante al tien jaar WAO-uitkering naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse ontving en dat haar behandelend psychiater de gezondheidssituatie ernstiger inschatte. De rechtbank heeft - terecht - bij haar oordeel de feitelijke omstandigheden van dit geval betrokken, waaronder de omstandigheden dat de inlichtingen van psychiater Bissessur in het verleden mede aan de vaststelling dat bij betrokkene sprake was van een situatie van GDBM ten grondslag hebben gelegen en dat de door hem gestelde diagnose door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts wordt gedeeld. Het oordeel van de rechtbank is noch onbegrijpelijk noch rechtens onjuist.

6. Het vorenoverwogene laat onverlet dat het primair aan de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts is om de door betrokkene ondervonden medische beperkingen vast te leggen in een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst en dat het ook aan hen is om als eersten te beoordelen of een medische expertise voor de oordeelsvorming noodzakelijk is. Daarbij geldt tevens dat de betrokken verzekeringsartsen zich ervan bewust blijven dat hun medische oordelen in arbeidsongeschiktheidsschattingen onderwerp kunnen zijn van gerechtelijke procedures en dat die oordelen zodanig tot stand komen dat voldaan wordt aan het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook voor besluiten met betrekking tot arbeidsongeschiktheidsuitkeringen neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel waarvan die oordelen immers een essentieel onderdeel uitmaken.

7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

EK