Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-631 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen in voldoende mate hebben rekening gehouden met de beperkingen van appellante. De Raad ziet in de toename van klachten ongeveer twee maanden na de datum in geding onvoldoende aanknopingspunten om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn. In de rapportage van 15 november 2006 is de arbeidsdeskundige gemotiveerd ingegaan op de mogelijkheid van het vrijelijk bezoeken van het toilet door appellante. De Raad acht hiermee dat aspect voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/631 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2007, 07/654 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 8 januari 2001 ziek gemeld met whiplashklachten en met klachten als gevolg van de ziekte van Crohn. Het Uwv heeft aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%.

1.3. Bij besluit van 4 april 2007, hierna: het bestreden besluit, zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling ten grondslag volgens welke appellante nog in een maximumomvang van 20 uur per week een drietal voor haar geselecteerde functies kan vervullen.

2.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Onder meer heeft de rechtbank daarbij laten wegen dat de verzekeringsartsen ingewonnen informatie vanuit de behandelende sector in de oordeelsvorming hebben betrokken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat voor het aannemen van verdergaande beperkingen gelet op de stukken geen medische grond aanwezig is. Hierbij is aangegeven dat van de zijde van appellante geen nadere medische stukken zijn ingebracht waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv zijn aangenomen dan wel op grond waarvan een grotere urenbeperking zou moeten worden gesteld. Aldus heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid.

2.2. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de bij de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden betrokken functies en met de mede op die functies gebaseerde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 45 tot 55%.

3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat haar belastbaarheid is overschat. Zij wijst erop dat zij naast haar psychische klachten lijdt aan de ziekte van Crohn. Als gevolg van deze ziekte is zij zeer wisselend inzetbaar en is zij ernstiger beperkt in haar persoonlijk en sociaal functioneren dan door het Uwv is aangenomen. Ten aanzien van de voor haar geselecteerde functies is opgemerkt dat deze niet geschikt zijn, nu de belasting in deze functies haar mogelijkheden te boven gaat. In het bijzonder heeft appellante erop gewezen dat zij vrijelijk tot toiletbezoek in staat moet zijn, hetgeen zij niet verenigbaar acht met de geselecteerde productiefuncties. Met betrekking tot de functie productiemedewerker papier, karton, drukkerij (Sbc-code 111174) is aangegeven dat appellante niet beschikt over het in deze functie gevraagde opleidingsniveau 2.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling, stelt de Raad vast dat de arbeidsbeperkingen van appellante zijn vastgelegd door de verzekeringsarts in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2007. Daarin zijn onder meer beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Als specifieke voorwaarde voor de aanpassing aan de fysieke arbeidsomstandigheden is gesteld dat geen taakeisen mogen gelden die het vrijelijk toiletbezoek in de weg staan. Gelet op de klachten als gevolg van de ziekte van Crohn heeft de verzekeringsarts tevens een urenbeperking noodzakelijk geacht van 4 uur per dag en 20 uur per week.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen in voldoende mate hebben rekening gehouden met de beperkingen van appellante. De Raad wijst erop dat ten aanzien van de datum in geding, de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun oordeelsvorming de informatie van de behandelend sector, zoals de MDL-arts, de uroloog en de huisarts, hebben betrokken. Ter zitting is namens appellante meegedeeld dat naar aanleiding van haar ziekmelding per 30 maart 2007, in verband met toename van haar (psychische) klachten, de WAO-uitkering ingaande 27 april 2007 is verhoogd. De Raad ziet in de toename van klachten ongeveer twee maanden na de datum in geding onvoldoende aanknopingspunten om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn. In de rapportage van 15 november 2006 is de arbeidsdeskundige gemotiveerd ingegaan op de mogelijkheid van het vrijelijk bezoeken van het toilet door appellante. De Raad acht hiermee dat aspect voldoende toegelicht.

4.4. De Raad acht door bezwaararbeidsdeskundige Reijerse in zijn rapport van 28 maart 2008 voldoende toegelicht dat sprake is van opleidingsniveau 2, nu appellante een getuigschrift basisschool heeft en nadien enkele jaren vervolgonderwijs heeft gevolgd. Uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst van 9 november 2006 blijkt dat voor de geselecteerde functies geen hoger opleidingsniveau is vereist dan opleidingsniveau 2 en dat er in de functies geen diploma-eisen worden gesteld. Het bestreden besluit heeft ook een voldoende arbeidskundige grondslag.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

EK