Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-4079 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad is alles afwegende van oordeel dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle voorhanden medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op voldoende inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige zoals neergelegd in zijn rapportage, waarin de deskundige de (verschillende) visies van zowel zenuwarts Busard als van de bezwaarverzekeringsarts heeft verwoord, niet onbegrijpelijk en voldoende overtuigend. De Raad is van oordeel dat de deskundige voldoende inzichtelijk heeft aangegeven waarom hij zich op datum in geding niet kan verenigen met de door appellant vastgestelde beperkingen. De Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Het vorenstaande betekent dat de Raad van oordeel is dat betrokkene op de datum in geding meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4079 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 juni 2008, 06/1508

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink. Betrokkene noch haar gemachtigde

-zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd- zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving sinds 16 april 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens lichamelijke en psychische klachten, laatstelijk ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. In het kader van een herbeoordeling is betrokkene op 8 november 2005 door de verzekeringsarts gezien. Er is anamnese afgenomen en het onderzoek is gericht op zowel haar lichamelijke als psychische klachten. Gelet op dit onderzoek heeft de verzekeringsarts bij betrokkene medische beperkingen bij het verrichten van arbeid vastgesteld en deze weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 november 2005. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem functies geselecteerd en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 15%.

2.2. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van

20 december 2005 meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 10 februari 2006 wordt ingetrokken.

3.1. Naar aanleiding van het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen voornoemd besluit heeft bezwaarverzekeringsarts A. Laros een medische heroverweging verricht. Voor de door betrokkene aangegeven -sinds haar 20-ste levensjaar bestaande- rugklachten, de sinds 2004 aangeduide lichamelijke klachten als fibromyalgie en de toegenomen klachten als gevolg van bekkeninstabiliteit, zijn geen objectiveerbare afwijkingen gevonden. Gelet op de ernst van de ervaren klachten en beperkingen, acht de bezwaarverzekeringsarts het reëel om enige beperkingen aan te nemen waarbij de bezwaarverzekeringsarts opmerkt dat betrokkene met de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen niet tekort is gedaan. Met betrekking tot het item “lopen” heeft deze arts de FML overigens (verder) aangescherpt. Tot slot onderschrijft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat er geen medische redenen zijn om beperkingen aan te nemen ten aanzien van de psychische belastbaarheid.

Met de aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat drie van de eerder geduide functies niet passend zijn voor betrokkene. Er resteren echter voldoende functies waar de intrekking van de WAO-uitkering op gebaseerd kan worden. Bij besluit van 18 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 december 2005 ongegrond verklaard.

4.1. In beroep is namens betrokkene, ter ondersteuning van haar gronden, een neuropsychiatrisch rapport van dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts, van 10 januari 2007 overgelegd. Dit rapport is aanleiding geweest tot nadere reacties van Laros en Busard.

4.2. Het verschil van mening tussen partijen ten aanzien van de juistheid van de vastgestelde beperkingen is voor de rechtbank aanleiding geweest om betrokkene te laten onderzoeken door N.J. de Mooij, psychiater. Deze deskundige heeft op 27 december 2007 gerapporteerd. In dit rapport heeft hij aangegeven dat betrokkene niet in staat was de voor haar geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft aanleiding gezien de door haar ingeschakelde deskundige te volgen en heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens een ondeugdelijke medische grondslag. Tevens is appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en is bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht dient te vergoeden.

5. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

6.1. De Raad is alles afwegende van oordeel dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle voorhanden medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op voldoende inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige zoals neergelegd in zijn rapportage, waarin de deskundige de (verschillende) visies van zowel zenuwarts Busard als van de bezwaarverzekeringsarts heeft verwoord, niet onbegrijpelijk en voldoende overtuigend. In de rapportage is aangegeven dat op de datum in geding bij betrokkene sprake was van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, een dysthyme stoornis, een slaapstoornis en een posttraumatische stress-stoornis. Naast deze psychische klachten is sprake van fibromyalgie, bekkeninstabiliteit en migraine. De Raad is van oordeel dat de deskundige voldoende inzichtelijk heeft aangegeven waarom hij zich op datum in geding niet kan verenigen met de door appellant vastgestelde beperkingen. De Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

6.2. Het vorenstaande betekent dat de Raad van oordeel is dat betrokkene op de datum in geding meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep die worden begroot op € 322,--. Van meer voor vergoeding van in hoger beroep gemaakte kosten, is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) R.L. Rijnen.

TM