Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-6739 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de gronden tegen de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen uitlooptermijn zijn vervallen. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, voorzover door appellant aangevochten, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank over de motivering van de medische geschiktheid van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Voorts stelt de Raad, gelet op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 7 september 2006, vast dat in de functie wikkelaar (SBC-code 267050) sprake is van wisseldiensten van maandag tot en met vrijdag, terwijl in deze functie in de voormiddag, namiddag en avond wordt gewerkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hierbij aansluit de informatie in het arbeidskundig rapport van 10 maart 2008, dat in deze functie wordt gewerkt in twee-ploegendienst, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat in deze functie geen sprake is van structureel overwerk of sterk wisselende diensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6739 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2008, 07/3666 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 17 augustus 2009 nadere gronden ingediend en op 25 augustus 2009 een overzicht van het medicijngebruik van appellant vanaf juli 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009.Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als plantsoenarbeider toen hij zich op 4 juni 1987 ziek meldde als gevolg van astmatische bronchitis. Na de wettelijke wachttijd van 52 weken ontving appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) volgens de klasse 80 tot 100%.

2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 3 augustus 2006 onderzocht door de verzekeringsarts I. Eygür. In zijn rapport van 18 augustus 2006 concludeerde Eygür op basis van zijn onderzoek dat appellant activiteiten kon ondernemen in een enigszins prikkelarme omgeving met vermijding van zwaar fysieke inspanning ter ondervanging van verhoogde prikkelbaarheid. Volgens Eygür waren de psychische problemen van appellant niet ernstig, maar zag hij wel aanleiding om beperkingen te stellen aan stress opleverende externe factoren. Eygür legde de beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst van 18 augustus 2006. Bij het arbeidskundig onderzoek op 29 september 2006 werd na functieduiding vastgesteld dat er geen verlies van verdienvermogen was. Hierna trok het Uwv bij besluit van 16 oktober 2006 de

WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 december 2006 in. Eygür zag vervolgens, blijkens een door hem op 17 oktober 2006 geplaatste penaantekening op de ontvangen brief van de behandelend longarts van 30 augustus 2006, in die brief geen wezenlijk nieuwe informatie maar meer een bevestiging van de matige ernst van de longproblematiek. In deze brief werd als diagnose vermeld een ernstig astma op basis van een polyvalente allergie maar werd ook gesproken van een redelijk stabiele situatie op basis van stevig gedoseerde onderhoudsmedicatie en een redelijk gunstige prognose bij deze medicatie naar aanleiding van het laatst verrichte longfunctieonderzoek,

3.1. In de bezwaarprocedure meldde appellant dat hij in november 2006 weer een longontsteking had gekregen en dat hij op 8 december 2006 door de huisarts was doorverwezen voor een longfoto. Vervolgens was na een gesprek met de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (SPV) van Parnassia op 23 januari 2007 zijn medicatie aangepast.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft appellant na de hoorzitting van

17 januari 2007 onderzocht. In zijn rapport van 3 april 2007 gaf Van Duijn aan dat appellant bij het onderzoek een licht gespannen indruk maakte, dat er geen tekenen van kortademigheid waren, ook niet bij traplopen en het maken van kniebuigingen, dat de overhandigde longfoto geen afwijkingen liet zien en dat telefonisch overleg op 3 april 2007 met de SPV opleverde dat bij appellant sprake was van een beperkte paniekstoornis. Volgens Van Duijn was de door Eygür vastgestelde FML correct en de belastbaarheid van appellant niet overschat. De bezwaararbeidsdeskundige gaf in een rapport van 13 april 2007 nog een nadere motivering voor de medische geschiktheid van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Het Uwv verklaarde vervolgens het door appellant tegen het besluit van 16 oktober 2006 gemaakte bezwaar bij besluit van 16 april 2007 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 16 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank oordeelde in de eerste plaats, onder verwijzing naar de zogenoemde aanzegbrief van 10 oktober 2006, dat het Uwv bij de onderhavige schatting een correcte uitlooptermijn heeft gehanteerd. Vervolgens onderschreef de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit en achtte zij de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag functies voldoende gemotiveerd in de arbeidskundige rapporten van 29 september 2006 en 13 april 2007 en in de nadere motivering in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 maart 2008, waarin volgens de rechtbank ook is aangegeven dat in de geduide functies geen sprake is van structureel overwerk of sterk wisselende diensten, waarvoor appellant volgens de FML beperkt is.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen en door de rechtbank beoordeelde gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de gronden tegen de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen uitlooptermijn zijn vervallen.

6.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad merkt nog op dat de in hoger beroep wederom vermelde informatie van de behandelende longarts van 30 augustus 2006 al door Eygür en Van Duijn is gewogen en dat zij daarin geen aanleiding hebben gezien de met het oog op de longproblematiek in de FML gestelde beperkingen verder aan te scherpen. In dit verband kan naar het oordeel van de Raad niet worden voorbijgezien aan de verdere informatie die deze longarts verstrekte en zoals deze is weergegeven in overweging 2. Verder wijst de Raad op de in overweging 3.2 aangehaalde bevindingen van Van Duijn bij zijn onderzoek in verband met de door appellant vermelde longontsteking in november 2006. Van de zijde van appellant is ook geen medische informatie in geding gebracht van na het nemen van de longfoto die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant op de datum bij het bestreden besluit in geding.

6.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, voorzover door appellant aangevochten, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank over de motivering van de medische geschiktheid van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Voorts stelt de Raad, gelet op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 7 september 2006, vast dat in de functie wikkelaar (SBC-code 267050) sprake is van wisseldiensten van maandag tot en met vrijdag, terwijl in deze functie in de voormiddag, namiddag en avond wordt gewerkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hierbij aansluit de informatie in het arbeidskundig rapport van 10 maart 2008, dat in deze functie wordt gewerkt in twee-ploegendienst, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat in deze functie geen sprake is van structureel overwerk of sterk wisselende diensten.

7. De overwegingen 6.2 en 6.3 leiden tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM