Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-2809 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herzienning. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen. De verzoeken om herziening dienen dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat door verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepalingen van de Awb, naar voren is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2809 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

Met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: verzoeker),

om herziening van de uitspraken van de Raad van 27 mei 2005, 03/1161, en 14 maart 2008, 05/4591,

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 27 mei 2005 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2003, nr. 02/876, bevestigd. Daarbij is overwogen dat het Uwv terecht de aanspraak van verzoeker op een uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft afgewezen, nu in 1984 geen periode is aangevangen waarin verzoeker 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

Bij uitspraak van 14 maart 2008 heeft de Raad het verzet van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, dat gericht was tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 13 januari 2006, waarbij het verzoek om herziening van de uitspraak van 27 mei 2005 niet ontvankelijk was verklaard.

Verzoeker heeft bij brief van 14 april 2008 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 maart 2008, waarbij tevens is verwezen naar de uitspraak van 27 mei 2005.

Door het Uwv is op dit verzoek om herziening een reactie ingezonden, waarop vervolgens door verzoeker is gereageerd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 2009. Verzoeker en het Uwv zijn daar, met kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Verzoeker heeft aan de verzoeken om herziening in essentie ten grondslag gelegd dat de Raad in zijn uitspraak van 27 mei 2005 een onjuiste beslissing heeft genomen ten aanzien van zijn verzoek om toekenning van een WAO-uitkering.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen. De verzoeken om herziening dienen dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat door verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepalingen van de Awb, naar voren is gebracht.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst de verzoeken om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en L.J.A Damen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) B.E. Giesen.

MM