Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-7003 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er op grond van het bestreden besluit van uitgegaan dient te worden dat aan appellant tot 15 juli 2007 een ZW-uitkering is toegekend en dat op grond van artikel 19 van de ZW derhalve dient te worden beoordeeld of appellant per genoemde datum geschikt kan worden geacht voor zijn arbeid. Geen redenen om aan te nemen dat de medische situatie van appellant per 15 juli 2007 in psychiatrisch opzicht wezenlijk verschilde van de situatie per 20 juni 2006. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat appellant per 15 juli 2007 terecht geschikt is geacht voor tenminste één van de eerder in het kader van de WAO-beoordeling aan hem voorgehouden functies, in welk verband de Raad verwijst naar zijn uitspraak van heden in het geschil tussen partijen met zaaknummer 08/5502 WAO. Mitsdien heeft het Uwv terecht geweigerd per 15 juli 2007 aan appellant een verdere ZW-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7003 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2008, 08/911

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding tussen partijen bij de Raad bekend onder 08/5502 WAO, plaatsgevonden op 13 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Diepen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.M. Kuppens.

Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 30 juni 2009 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige psychiater professor dr. G.F. Koerselman een vraag van de Raad beantwoord.

Nadat het onderzoek is voltooid, is behandeling van de gedingen ter zitting met toestemming van partijen achterwege gebleven. Ter afhandeling zijn de gedingen vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 21 juni 2006, toen hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, ziek gemeld. Bij besluit van 28 september 2006 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 21 juni 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 juni 2006 geen recht op een ZW-uitkering heeft, omdat er (blijkens een WAO-besluit van 28 augustus 2006 tot herziening van de WAO-uitkering per 20 juni 2006) geen nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig waren, die het op dat moment noodzakelijk maakten om op dat tijdstip de belastbaarheid van appellant opnieuw te beoordelen. Voorts gaf het Uwv aan dat appellant op grond van zijn TRI-uitkering niet verzekerd was ingevolge de ZW. Volgens het Uwv had appellant dan ook geen recht op een ZW-uitkering over de periode van 21 juni 2006 tot en met 30 juni 2007. Om zorgvuldigheidsredenen heeft het Uwv de ZW-uitkering aan appellant evenwel betaald tot en met 15 juli 2007.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 11 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv aangegeven dat de grondslag van het besluit van 4 juli 2007 niet juist was en dat appellant wel verzekerd was ingevolge de ZW. Derhalve is appellant op 18 oktober 2007 op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien en is op 21 november 2007 rapport uitgebracht door de stafverzekeringsarts M.E. van Liere, waarin is aangegeven dat aansluiting kan worden gezocht bij het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Koerselman, die appellant op 30 augustus 2007 in het kader van de WAO-beoordeling heeft onderzocht en die een gelijke medische situatie aantrof als op 20 juni 2006. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts C.J. van de Valk in haar rapportage van 7 februari 2008 aangegeven dat er ten opzichte van de situatie van 20 juni 2006 geen sprake is van een wezenlijke wijziging in de medische toestand van appellant, zodat de ZW-uitkering terecht per 15 juli 2007 is beëindigd. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv is uitgegaan van een verkeerde datum, omdat bij het besluit van 4 juli 2007 een ZW-uitkering per 21 juni 2006 is geweigerd en de stafverzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hadden moeten beoordelen of de uitkering terecht met ingang van laatstgenoemde datum is geweigerd. Mitsdien achtte de rechtank het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft zij het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het Uwv bij de medische beoordeling van de ziekmelding per 21 juni 2006 kon aanknopen bij het onderzoek van Koerselman, die de medische situatie van appellant per 20 juni 2006 heeft beoordeeld. Gelet op het feit dat er geen wijziging is ten opzichte van de situatie per 20 juni 2006, was de rechtbank van oordeel dat er een voldoende medische grondslag was voor het besluit van het Uwv dat appellant met ingang van 21 juni 2006 geen aanspraak had op een ZW-uitkering.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat voorafgaand aan de datum van beëindiging van de ZW-uitkering geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van 21 juni 2006 als zijnde de datum in geding. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte aansluiting gezocht bij de rapportage van Koerselman van 30 augustus 2007.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er op grond van het bestreden besluit van uitgegaan dient te worden dat aan appellant tot 15 juli 2007 een ZW-uitkering is toegekend en dat op grond van artikel 19 van de ZW derhalve dient te worden beoordeeld of appellant per genoemde datum geschikt kan worden geacht voor zijn arbeid.

4.2. Naar aanleiding van de vraagstelling door de Raad heeft Koerselman, na kennisname van de brief van 3 september 2007 van de behandelend psychiater dr. A.W. Braam, in zijn rapportage van 30 juni 2009 aangegeven dat hij geen redenen heeft gevonden om aan te nemen dat de medische situatie van appellant per 15 juli 2007 in psychiatrisch opzicht wezenlijk verschilde van de situatie per 20 juni 2006. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat appellant per 15 juli 2007 terecht geschikt is geacht voor tenminste één van de eerder in het kader van de WAO-beoordeling aan hem voorgehouden functies, in welk verband de Raad verwijst naar zijn uitspraak van heden in het geschil tussen partijen met zaaknummer 08/5502 WAO. Mitsdien heeft het Uwv terecht geweigerd per 15 juli 2007 aan appellant een verdere ZW-uitkering toe te kennen.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

KR