Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
07-5633 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De Raad: Deugdelijk medisch onderzoek; de artsen komen in hun rapportages tot een onderbouwde conclusie. Urenbeperking is voldoende onderbouwd. Overschrijding normaalwaarden. Appellant voldoent aan de opleidingseis m.b.t. technisch inzicht voor de eenvoudige assembleerwerkzaamheden. Maatmaninkomen is juist vastgesteld. Rangschikking van de functies: Er is geen rechtsregel die het Uwv belet om een op zichzelf juist besluit te voorzien van een aanvullende motivering nadat tegen dat besluit beroep is ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/348 met annotatie van Red

Uitspraak

07/5633 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 augustus 2007, 06/1225 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep BV te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Voor appellant verscheen zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.A. ter Laak.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 21 september 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv de verlaging van de WAO-uitkering van appellant per 17 mei 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

2. De rechtbank oordeelde dat het besluit van 21 september 2006 een voldoende deugdelijke medische grondslag heeft en dat afdoende is gemotiveerd dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt zijn. Omdat het Uwv pas in beroep heeft voldaan aan alle uit de rechtspraak van de Raad voortvloeiende eisen voor een juist gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) ter motivering van dat besluit, heeft de rechtbank het besluit van 21 september 2006 vernietigd maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant mede onder verwijzing naar de stellingen die hij in bezwaar en beroep betrok, zowel de medische als de arbeidskundige kant van de schatting opnieuw ter discussie gesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. Appellant heeft betoogd dat geen voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet blijkt dat het onderzoek gericht is geweest op alle klachten en beperkingen die appellant heeft vermeld op het vragenformulier, dat hij voorafgaande aan de herbeoordeling op 24 oktober 2005 heeft ingevuld, en omdat geen informatie werd verkregen van de huisarts van appellant.

4.1.2. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen laten zien dat een deugdelijk onderzoek werd verricht naar de mogelijkheden en beperkingen van appellant om in arbeid te functioneren. Beide artsen komen in hun rapportages tot een onderbouwde conclusie. Het door appellant ingevulde vragenformulier is voor de verzekeringsarts een hulpmiddel bij zijn onderzoek. De Raad heeft geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts gebruik van dit hulpmiddel achterwege heeft gelaten en om die reden geen volledig beeld heeft gekregen van de klachten van appellant. Een uitgebreide anamnese maakt deel uit van zijn rapportage. De bezwaarverzekeringsarts heeft na de hoorzitting, die door appellant niet werd bijgewoond “omdat hij daar de noodzaak niet van inzag”, tweemaal een brief gezonden aan de huisarts van appellant met het verzoek hem te informeren over mogelijk gestelde diagnosen ten aanzien van een aantal door appellant in bezwaar genoemde klachten, die de verzekeringsarts niet naar objectieve afwijkingen heeft kunnen herleiden. De bezwaarverzekeringsarts heeft terecht gemeend bij het uitblijven van een antwoord van de huisarts zijn herbeoordeling te kunnen baseren op de in het dossier voorhanden medische gegevens.

4.2.1. De verzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit zijn rapportage en de door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), een urenbeperking van ongeveer 8 uur per dag en ongeveer 40 uur per week noodzakelijk geacht. Appellant heeft het standpunt betrokken dat de omvang van de urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet blijkt dat bij de bepaling van die omvang aandacht is besteed aan de omvang van de werkzaamheden die appellant ten tijde van de beoordeling verrichtte in zijn eigen bedrijf.

4.2.2. De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts met de omvang van de werkzaamheden van appellant ten tijde van zijn onderzoek – 2 tot 4 uur per dag – bekend was. De verzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit zijn rapportage, bij zijn oordeelsvorming over de aan te nemen urenbeperking ook de aard van die – in zijn visie niet passende – werkzaamheden betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft de omvang van de urenbeperking nader beschouwd en in zijn rapportage uitvoerig uiteengezet waarom de in de FML opgenomen urenbeperking volstaat. Naar het oordeel van de Raad is de urenbeperking voldoende onderbouwd. Voor de door appellant gewenste verdergaande urenbeperking biedt de beschikbare medische informatie geen grond.

4.3.1. Appellant heeft gesteld dat het enkele feit dat de belasting in verschillende functies, die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, op enkele onderdelen de normaalwaarden met meer dan 10% overschrijdt, tot het oordeel moet leiden dat die functies voor appellant niet geschikt zijn.

4.3.2. In zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder andere LJN AR4716), 12 oktober 2006 (LJN AY9971), 23 februari 2007 (LJN AZ9153), 1 februari 2009 (LJN BC3237), 5 december 2008 (LJN BG5758) en 5 juni 2009 (LJN BI6812) heeft de Raad geoordeeld dat het CBBS als ondersteunend systeem, zoals dat inmiddels is aangepast, voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden, zodat een met behulp van dat systeem genomen besluit in beginsel een toereikend niveau heeft van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Als in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde, wordt dit door het systeem onderkend en gesignaleerd, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen – de verzekerde zelf, zijn rechtshulpverlener en de rechter – op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de geschiktheid van de betreffende functie. De Raad heeft vastgesteld dat de exacte bepaling van de hoogte van de normaalwaarden niet van belang is, zodat de noodzaak ontbreekt voor een nadere onderbouwing van de wijze van bepaling van die normaalwaarden.

4.3.3. Indien in een functie op één of meer onderdelen sprake is van een belasting die de normaalwaarde(n) overschrijdt, zal een overtuigende toelichting duidelijk moeten maken waarom vervulling van die functie gezien zijn mogelijkheden van een betrokkene kan worden gevergd. Daarbij is naar het oordeel van de Raad niet van belang of sprake is van een al dan niet marginale overschrijding van de belasting op één of meer onderdelen en evenmin of de belasting in de functie de normaalwaarde(n) met meer of minder dan 10% te boven gaat. In alle situaties gaat het om de overtuigingskracht van de toelichting.

4.3.4. De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant in kaart heeft gebracht en dat de bezwaarverzekeringsarts de FML heeft onderschreven. De arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige hebben met hun rapportages naar het oordeel van de Raad overtuigend toegelicht dat de aan appellant als arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies een belasting kennen die blijft binnen de belastbaarheid van appellant. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de belasting op de onderdelen torderen, reiken en het maken van hoofdbewegingen in verschillende functies ziet de Raad geen reden om aan de geschiktheid van die functies voor appellant te twijfelen.

4.4.1. Met betrekking tot de functie van houtwarensamensteller (Sbc-code 262140) heeft appellant erop gewezen dat een opleidingseis geldt van “basisonderwijs en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs + technisch inzicht”. Hij meent dat de arbeidsdeskundige deze functie ten onrechte voor hem geschikt heeft geoordeeld met als argument dat appellant met een werkervaring van 17 jaar als technisch medewerker bij Bolletje aan de eis van technisch inzicht voldoet. Appellant heeft gesteld dat hij niet beschikt over op de functie van houtwarensamensteller toegespitst technisch inzicht.

4.4.2. De vertegenwoordiger van het Uwv heeft ter zitting van de Raad gesteld dat het voor de geselecteerde functie van montagemedewerker, vallend onder de Sbc-code van houtwarensamensteller, vereiste technische inzicht algemeen van aard is. Aan die eis voldoet appellant wel.

4.4.3. In het Resultaat functiebeoordeling is beschreven dat de werkzaamheden van de montagemedewerker bestaan uit het samenstellen van hulpstukken of zitmeubelen bestemd voor gebruik in zogenaamde natte ruimten zoals douchecel, badkamer en toilet. De functionaris wordt afhankelijk van technisch inzicht en vaardigheden belast met eenvoudige dan wel meer complexe assembleerwerkzaamheden. Uit deze beschrijving leidt de Raad af dat geen specifiek inzicht in houtbewerking nodig is. Uit de arbeidskundige rapportage van 16 oktober 1995 blijkt dat appellant de LTS (elektro) met een diploma heeft afgerond. Met deze opleiding in combinatie met een langdurig arbeidsverleden in een technische werkomgeving beschikt appellant ten minste over het technisch inzicht voor de eenvoudige assembleerwerkzaamheden. De arbeidsdeskundige heeft de functie naar het oordeel van de Raad voor de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage kunnen gebruiken.

4.5.1. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat het maatmaninkomen niet op een juist bedrag werd vastgesteld omdat de arbeidsdeskundige verkeerde indexcijfers heeft gehanteerd.

4.5.2. In de arbeidskundige rapportage van 14 maart 2006 wordt het dan bekende maatmaninkomen van € 3.616,32 verhoogd door vermenigvuldiging met de factor 113,8/105,6. De bezwaararbeidsdeskundige constateert in zijn rapportage van 15 september 2006 dat daarmee geen volledige indexering van het maatmaninkomen tot mei 2006 werd verkregen. Hij verhoogt het door de arbeidsdeskundige berekende maatmaninkomen van € 20,91 per uur door vermenigvuldiging met de factor 115,3/113,8 en stelt het vast op een bedrag van € 21,19. Appellant berekent het maatmaninkomen per mei 2006 door het bij het bedrag van € 3.616,32 behorende uurloon van € 19,41 (bij een 43-urige werkweek) te vermenigvuldigen met de factor 115,3/105,3 en komt uit op een bedrag van € 21,25.

4.5.3. De Raad stelt vast dat de berekening van de arbeidsdeskundige en appellant alleen verschillen in het gebruikte indexcijfer van 2001. De arbeidsdeskundige hanteert bij de vermenigvuldiging in de noemer 105,6 (het indexcijfer van oktober 2001), terwijl appellant uitgaat van 105,3 (het indexcijfer van september 2001).

4.5.4. Zoals blijkt uit de arbeidskundige rapportage van 13 november 2002 werd het maatmaninkomen van € 3.616,32 berekend door het toen bekende bedrag van fl. 6.493,- te indexeren met gebruikmaking van de indexcijfers 139,6 en 115,9. De arbeidsdeskundige noteerde daarbij dat het gaat om de cijfers van september 2002 (lees: 2001) en maart 1995. Omdat het maatmaninkomen toen geïndexeerd werd tot en met september 2001, heeft de arbeidsdeskundige bij de indexering in het kader van de onderhavige herbeoordeling naar het oordeel van de Raad terecht niet opnieuw het indexcijfer van september 2001 betrokken maar dat van oktober 2001. Het maatmaninkomen van € 21,19 is correct vastgesteld.

4.6.1. Appellant heeft ten slotte gesteld dat er “een rechtsbeginsel” aan in de weg staat om hangende de beroepsprocedure de volgorde van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te wijzigen. Met een andere rangschikking van de functies is de toepasselijke reductiefactor niet langer 0,83 maar 0,88.

4.6.2. Er is geen rechtsregel die het Uwv belet om een op zichzelf juist besluit te voorzien van een aanvullende motivering nadat tegen dat besluit beroep is ingesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de rangschikking van de functies, die voor appellant geschikt geacht worden, in zijn rapportage van 15 december 2006 zo bepaald dat de drie functies waarin appellant per uur het meeste kan verdienen de schatting dragen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad stelt vast dat op goede gronden, rekening houdend met een reductiefactor van 0,88, een arbeidsongeschiktheidspercentage is berekend van 53,9%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.

5. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

TM