Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
07-5448 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Appellante heeft rapport van de ISD overlegd, waarin is geconcludeerd dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om te werken. Geen onderschatting van beperkingen. De Raad is (...) van oordeel dat de bva in hoger beroep er terecht op heeft gewezen dat het onderzoek dat op verzoek van de ISD is gedaan, dateert van ruim na de in dit geding relevante datum 29 juni 2006 en daarom een beperkte waarde heeft. Het onderzoek van verzekeringsarts en arbeidskundige vond plaats kort voor de datum in geding en bovendien hadden zij de beschikking over toen recente informatie van de huisarts van appellante. Geen reden om de aan appellante geduide functies te zwaar voor haar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5448 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 augustus 2007, 06/5225 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 28 augustus 2009. Voor appellante is haar voornoemde raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante ontving vanaf 1995 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, omdat zij als gevolg van psychische klachten onvoldoende in staat werd geacht werkzaamheden te verrichten.

1.3. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het Uwv per 29 juni 2006 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.

3. Appellante heeft zich onder verwijzing naar wat zij in de bezwaar- en beroepsfase heeft aangevoerd, in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft haar standpunt onderbouwd door het overleggen van een op verzoek van de intergemeentelijke sociale dienst (ISD) opgemaakt medisch rapport, waarin is geconcludeerd dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om te werken.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep er terecht op heeft gewezen dat het onderzoek dat op verzoek van de ISD is gedaan, dateert van ruim na de in dit geding relevante datum 29 juni 2006 en daarom een beperkte waarde heeft. Het onderzoek van verzekeringsarts Van den Brand en arbeidskundige Peijs vond plaats kort voor de datum in geding en bovendien hadden zij de beschikking over toen recente informatie van de huisarts van appellante. Op grond daarvan zijn beperkingen voor appellante opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 13 april 2006 die verband houden met haar persoonlijk en sociaal functioneren en derhalve met haar psychische klachten. Het rapport van de ISD en de in beroep overgelegde informatie van de appellante behandelende psychiater D. Keles, vormen voor de Raad geen reden om aan de juistheid van de vastgestelde mogelijkheden en beperkingen van appellante te twijfelen.

4.2. Uitgaande van de in de FML opgenomen beperkingen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de aan appellante geduide functies te zwaar voor haar te achten. Mede nu hiertegen in hoger beroep geen gronden zijn aangevoerd, deelt de Raad dit oordeel van de rechtbank. Het Uwv heeft de WAO-uitkering van appellante derhalve terecht per 29 juni 2006 ingetrokken.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) R.L. Rijnen.

TM