Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
08-3072 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag en boete wegens het niet of niet tijdig doorgeven van een wijziging van zijn leefvorm. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat het besluit tot herziening in rechte vast staat. De Raad vindt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW. De Raad overweegt hierbij dat - mede gelet op de met appellant getroffen betalingsregeling waarbij rekening is gehouden met de financiële situatie van appellant - niet is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant zal leiden. de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 mei 2003, LJN AL1609 - is van oordeel dat een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel niet inhoudt dat op die grond sprake is van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 20 van de TW. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht en op goede gronden besloten tot het opleggen van een boete, dat er geen sprake is van verminderde dan wel ontbrekende verwijtbaarheid en dat evenmin is gebleken dat het Uwv de boete op andere gronden op een lager bedrag dan het reeds tot € 66,- gematigde boetebedrag had moeten vaststellen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de boete niet onevenredig zwaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3072 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 april 2008, 07/3696

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Appellant is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 maart 2007 is het recht van appellant op een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) per 30 juni 2005 herzien wegens een wijziging in appellants leefvorm.

1.2. Bij besluit van eveneens 23 maart 2007 is de aan appellant over de periode van

30 juni 2005 tot en met 31 maart 2007 onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag van € 2.213,- (bruto) van hem teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het Uwv appellant een boete van € 66,- opgelegd wegens het niet of niet tijdig doorgeven van een wijziging van zijn leefvorm. De overtredingsperiode is vastgesteld van 30 juni 2005 tot 1 maart 2006.

1.4. Bij besluit van 1 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 23 maart 2007 en het boetebesluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de terugvordering heeft zij geoordeeld dat het Uwv zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW oplevert en het Uwv dan ook terecht heeft beslist om niet geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv, gezien de schending van de inlichtingenplicht door appellant, gehouden was om aan appellant een boete op te leggen. Omdat appellant niet met medische stukken heeft onderbouwd dat hij ten tijde van het vertrek van zijn (thans) ex-echtgenote in een dusdanige toestand verkeerde dat hij het Uwv niet (tijdig) kon informeren, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij. Volgens de rechtbank had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn nieuwe leefvorm van invloed zou zijn op zijn uitkering. De rechtbank stelt tot slot vast dat het Uwv de boete in overeenstemming met het Boetebesluit socialezekerheidswetten heeft opgelegd en dat de boete niet onevenredig zwaar is.

3. Appellant heeft in hoger beroep nogmaals de terugvordering van de toeslag over de periode van 8 maart 2006 tot en met 31 maart 2007 betwist. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv per 8 maart 2006 bekend was dat aan hem nog steeds een toeslag werd betaald en dat deze wetenschap had moeten resulteren in een spoedige beëindiging van de toeslag. Door hiertoe eerst ruim een jaar later over te gaan is de vordering onnodig hoog opgelopen. Appellant ziet in het stilzitten van het Uwv, tezamen met de financiële consequenties voor hem, een dringende reden om van terugvordering af te zien.Met betrekking tot het opleggen van de boete heeft appellant gesteld dat hij lange tijd niet wist dat hij de wijziging in zijn leefsituatie diende door te geven. Voorts heeft appellant gesteld dat hij gelet op zijn psychische toestand ten tijde van de verlating door zijn (ex-)echtgenote niet in staat was aan zijn inlichtingenverplichting te voldoen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De terugvordering

4.1.1. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat het besluit tot herziening in rechte vast staat. Voorts stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat door het Uwv onverschuldigd toeslag is betaald aan appellant over de in het bestreden besluit vermelde periode. Evenmin is de hoogte van het terugvorderingsbedrag tussen partijen in geschil. De vraag die partijen verdeeld houdt is of sprake is van een dringende reden om van de

- wettelijke verplichte - terugvordering af te zien over de periode 8 maart 2006 tot en met 31 maart 2007.

4.1.2. De Raad stelt voorop dat dringende redenen om met toepassing van artikel 20, vierde lid, van de TW van terugvordering af te zien - blijkens vaste jurisprudentie, waarin onder andere wordt gewezen op de wetsgeschiedenis - slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor de verzekerde heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden (TK 1994-1995, 23.909, nr. 3).

4.1.3. De Raad vindt in het licht van het evenomschreven beoordelingskader in de onderhavige zaak geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW.

4.1.4. Het handelen van het Uwv - meer in het bijzonder: het doorbetalen van de volledige toeslag vanaf 8 maart 2006 ondanks dat het Uwv toen op de hoogte was van de gewijzigde leefvorm van appellant - verdient in dit geval niet de schoonheidsprijs, maar zoals de Raad al eerder aangegeven heeft in zijn uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT1551, kan de enkele omstandigheid dat het Uwv een fout gemaakt heeft op zichzelf geen dringende reden opleveren. De fout van het Uwv is de oorzaak van de terugvordering, en behoort niet tot de consequenties die een terugvordering voor een verzekerde als appellant heeft. De Raad overweegt hierbij dat - mede gelet op de met appellant getroffen betalingsregeling waarbij rekening is gehouden met de financiële situatie van appellant - niet is gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant zal leiden.

4.1.5. Voor zover appellant heeft willen stellen dat het Uwv door eerst ruim een jaar na het bekend worden van de gewijzigde leefvorm de toeslag te herzien en terug te vorderen heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, is de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 9 mei 2003, LJN AL1609 - van oordeel dat een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel niet inhoudt dat op die grond sprake is van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 20 van de TW.

4.2. De boete

4.2.1. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de opgelegde boete en maakt die overwegingen tot de zijne. Dit betekent dat ook naar het oordeel van de Raad het Uwv terecht en op goede gronden heeft besloten tot het opleggen van een boete, dat er geen sprake is van verminderde dan wel ontbrekende verwijtbaarheid en dat evenmin is gebleken dat het Uwv de boete op andere gronden op een lager bedrag dan het reeds tot € 66,- gematigde boetebedrag had moeten vaststellen. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de in hoger beroep aangevoerde grief dat appellant lange tijd niet wist dat hij de wijziging in zijn leefsituatie diende door te geven, reeds niet kan slagen omdat appellant door het Uwv bij de toekenningsbeslissing in het kader van de TW is geattendeerd op de wettelijke mededelingsverplichting. Op zich heeft ook de Raad er begrip voor dat appellant in moeilijke omstandigheden verkeerde op het moment dat zijn (ex-)echtgenote het huis verliet. Dit neemt evenwel niet weg dat appellant ook in hoger beroep zijn stelling dat hij in dusdanige psychische nood verkeerde dat hij niet in staat was om (onverwijld) aan zijn inlichtingenverplichting te voldoen niet met (medische) stukken heeft onderbouwd.

4.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de boete niet onevenredig zwaar is.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) F. Heringa.

TM