Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-7247 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van de OV-kaart in 2005. Het toetsingsinkomen in 2005 is vastgesteld in overeenstemming met hetgeen dwingend is voorgeschreven in artikel 3.17, tweede lid, van de Wsf 2000. In 2005 werd nog niet als maatstaf het fiscale verzamelinkomen gehanteerd, zodat appellant aan het eerst in 2008 hanteren van dat inkomen als maatstaf geen argument ter onderbouwing van zijn standpunt wat 2005 betreft kan ontlenen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat appellant ook in hoger beroep geen enkel verifieerbaar gegeven heeft overgelegd over wat tussen hem en een of meer medewerkers van de Informatie Beheer Groep is besproken. Appellants stelling dat hij tweemaal moet betalen voor dezelfde OV-kaart is niet juist en door de IB-Groep genoegzaam weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7247 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 november 2008, 08/876 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Appellant is niet verschenen. Voor de IB-Groep is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 april 2008 heeft de IB-Groep ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2008, waarbij van hem wegens teveel aan eigen bijverdiensten over de periode januari tot en met december 2005 een bedrag van (12 maanden à € 76,48 =) € 917,76 voor het gedurende die periode daadwerkelijk in bezit hebben van de OV-kaart is gevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het besluit is in overeenstemming met de in het tweede lid, onder a, en het zevende lid van artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) neergelegde wettelijke bepalingen over hoe het toetsingsinkomen wordt bepaald respectievelijk hoeveel bij meerinkomen moet worden betaald voor het beschikken over de reisvoorziening (OV-kaart). Bij gebrek aan enig bewijs van hetgeen tussen appellant en de IB-Groep is gecommuniceerd, is niet kunnen blijken van een vanwege de IB-Groep bij appellant gewekte gerechtvaardigde verwachting dat ter zake van meerinkomen geen vordering zal worden opgelegd. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die zo bijzonder zijn dat de IB-Groep op grond daarvan met toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000 had dienen af te wijken van de ter zake geldende dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep opgeworpen stellingen in essentie herhaald.

4.1. De Raad heeft in de stukken geen aanknopingspunt kunnen vinden om te komen tot een ander oordeel dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven. In de thans aanhangige procedure is uitsluitend aan de orde de vordering wegens het in bezit hebben van de OV-kaart in 2005 op basis van de in dat kalenderjaar van kracht zijnde wettelijke voorschriften.

4.2. Het toetsingsinkomen in 2005 is vastgesteld in overeenstemming met hetgeen dwingend is voorgeschreven in artikel 3.17, tweede lid, van de Wsf 2000. In 2005 werd nog niet als maatstaf het fiscale verzamelinkomen gehanteerd, zodat appellant aan het eerst in 2008 hanteren van dat inkomen als maatstaf geen argument ter onderbouwing van zijn standpunt wat 2005 betreft kan ontlenen.

4.3. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, reeds omdat appellant ook in hoger beroep geen enkel verifieerbaar gegeven heeft overgelegd over wat tussen hem en een of meer medewerkers van de Informatie Beheer Groep is besproken.

4.4. Het daadwerkelijk in bezit hebben en dusdoende kunnen gebruikmaken van de OV-kaart is ingevolge artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000 bepalend, immers, niet kan worden nagegaan of daadwerkelijk van die kaart gebruik is gemaakt.

4.5. Appellants stelling dat hij tweemaal moet betalen voor dezelfde OV-kaart is niet juist en door de IB-Groep in het verweerschrift van 5 februari 2009 genoegzaam weerlegd.

5. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL