Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-5927 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op schadevergoeding wegens het te laat ontvangen van de OV-kaart. De Raad is van oordeel dat de aanvraag van betrokkene d.d. 14 maart 2007 om toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 september 2007 niet kan worden geacht te zijn ingetrokken met het aangepaste Ws-formulier met oorspronkelijke dagtekening 21 maart 2007. Dat betrokkene zijn studiefinanciering tussentijds heeft beëindigd per 16 februari 2007 in verband met de succesvolle afronding van de door hem gevolgde MBO-opleiding, maar hij zijn eerdere aanvraag van 14 maart 2007 om studiefinanciering per 1 september 2007 in verband met de aanvang per die datum van de HBO-opleiding Personeel en Arbeid, onverkort heeft gehandhaafd. Nu betrokkene reeds op 14 maart 2007 studiefinanciering heeft aangevraagd met ingang van 1 september 2007, doch de OV-kaart eerst op 19 oktober 2007 voor hem gereed lag, kan niet worden staande gehouden dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 3.29, eerste lid, eerste volzin, van de Wsf 2000.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.29, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5927 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 september 2008, 08/286 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellante.

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.H. Blom, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Voor appellante is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met een formulier aanmelden hoger onderwijs en studiefinanciering, gedateerd 14 maart 2007, heeft betrokkene zich bij appellante voor het studiejaar 2007-2008 aangemeld voor de opleiding B Personeel en Arbeid aan de Fontys Hogescholen te Eindhoven en heeft hij in verband hiermee studiefinanciering aangevraagd met ingang van 1 september 2007. Bij besluit van 23 maart 2007 heeft appellante deze aanvraag voor studiefinanciering verwerkt.

1.2. Op een formulier Wijzigingen student (Ws-formulier) met dagtekening

21 maart 2007, door appellante op 23 maart 2007 ontvangen, heeft betrokkene bij de vragen 3a en 3b aangegeven dat hij in verband met het einde van zijn studie de studiefinanciering per 16 februari 2007 wenst te beëindigen. Bij brief van 30 maart 2007 heeft appellante dit formulier aan betrokkene teruggezonden omdat er gegevens ontbreken. Onder vermelding van het volgende is betrokkene verzocht het formulier aan appellante terug te sturen:

“Ik verzoek je bij vraag 3a aan te geven of de ingevulde datum einde studie voor welke studie het geldt (Wij hebben in onze systeem dat je per 01-09-2007 een hbo opleiding gaat volgen of dat je al begonnenbent. Als je deze opleiding niet meer gaat doen even duidelijk aangeven dat de ingevulde datum einde studie voor de hbo opleiding geldt)”.

Naar aanleiding van de brief van 30 maart 2007 heeft betrokkene het betreffende Ws-formulier opnieuw aan appellante gestuurd, thans met de volgende handgeschreven toevoeging bij de vragen 3a en 3b:

“einde MBO-opleiding diploma nivo 4 behaald en per sept. 2007 aanvang HBO-opleiding personeel en arbeid.”.

1.3. In reactie op het aldus aangevulde Ws-formulier heeft appellante betrokkene bij besluit van 4 mei 2007 meegedeeld dat sprake is van een wijziging in de aanvraag, in zoverre dat er per 17 februari 2007 geen aanvraag is, in verband waarmee per 1 maart 2007 geen recht op studiefinanciering bestaat.

1.4. Op 31 augustus 2007 heeft betrokkene zich per e-mail tot appellante gewend omdat hij nog niets had ontvangen betreffende de studiefinanciering, waaronder de OV-studentenkaart (OV-kaart). Hierop heeft appellante betrokkene bij besluit van 11 oktober 2007 meegedeeld dat hij in verband met de per 1 september aangevangen HBO-opleiding Personeel en Arbeid vanaf september 2007 recht heeft op studiefinanciering, waaronder een OV-kaart. De OV-kaart lag op 19 oktober 2007 klaar op het postkantoor.

1.5. Vervolgens heeft betrokkene op 20 oktober 2007 verzocht om schadevergoeding vanaf 1 september 2007 omdat hij de OV-kaart te laat heeft ontvangen. Bij besluit van 7 november 2007 heeft appellante dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 11 januari 2008 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 november 2007 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 11 januari 2008 ligt het standpunt van appellante ten grondslag dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding gesteld in artikel 3.29 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) nu betrokkene eerst op 31 augustus 2007 en derhalve niet meer dan drie maanden voor 1 september 2007 studiefinanciering heeft aangevraagd. In dit verband is toegevoegd dat betrokkene heeft nagelaten bezwaar te maken tegen het besluit van 4 mei 2007 waarbij het recht op studiefinanciering per 1 maart 2007 is beëindigd.

2.1. In beroep heeft betrokkene gesteld dat hij zich op 14 maart 2007 heeft aangemeld voor de HBO-opleiding Personeel en Arbeid voor het studiejaar 2007-2008 en toen tevens per 1 september 2007 studiefinanciering heeft aangevraagd, hetgeen is bevestigd bij het besluit van 23 maart 2007 (en een brief van appellante van 1 mei 2007). Het besluit van 4 mei 2007 was volgens betrokkene enkel gericht op de gevolgen van de uitschrijving voor zijn MBO-opleiding in februari 2007.

2.2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 11 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aanvullende beslissingen genomen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het besluit van 11 januari 2008 berust op een onjuiste feitelijke grondslag en derhalve strijdig is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2.2. De rechtbank heeft hiertoe – kort weergegeven – overwogen dat uit het (aangepaste) Ws-formulier van 21 maart 2007 afdoende blijkt dat betrokkene per september 2007 wenst te starten met de opleiding aan de Fontys Hogeschool en niet beoogt een wijziging aan te brengen in hetgeen hierover op 14 maart 2007 aan appellante is bericht. De besluiten van 4 mei 2007 en 22 juni 2007 hoefden voor betrokkene geen aanleiding te zijn daartegen bezwaar te maken nu bij het besluit van 23 maart 2007 en de brief van 1 mei 2007 al was bevestigd dat hij per 1 september 2007 stond ingeschreven aan de Fontys Hogeschool. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat betrokkene meer dan 3 maanden voor 1 september 2007 studiefinanciering heeft aangevraagd zodat hij recht heeft op schadevergoeding omdat de OV-kaart te laat is ontvangen.

3. Appellante voert in hoger beroep aan dat betrokkene weliswaar tijdig zijn studiegegevens aan haar heeft doorgegeven maar hij verzuimd heeft om tijdig zijn juiste aanvraaggegevens door te geven. Betrokkene heeft namelijk bij Ws-formulier van 16 februari 2007 (lees: 21 maart 2007) zijn aanvraag studiefinanciering beëindigd per 16 februari 2007 en heeft verzuimd om op dit formulier bij vraag 4 weer studiefinanciering aan te vragen per september 2007. Bij Bericht van 4 mei 2007 is in verband hiermee vanaf de maart 2007 geen studiefinanciering meer toegekend aan betrokkene. Voorts is op dit Bericht aangegeven: ‘Aanvraag per 17 februari 2007: geen’. Nu betrokkene van oordeel was dat het resultaat van de verwerking van zijn wijzigingsformulier niet naar wens was, had het op zijn weg gelegen bezwaar te maken tegen dit besluit dan wel zo spoedig mogelijk alsnog studiefinanciering per september 2007 aan te vragen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In artikel 3.29, eerste lid, eerste volzin, van de Wsf 2000 is bepaald dat wanneer een studerende ten onrechte over een periode geen kaart ontvangt, hij over die periode jegens de verstrekker van de kaart aanspraak heeft op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, derde lid, mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt.

4.3. De Raad is van oordeel dat de aanvraag van betrokkene d.d. 14 maart 2007 om toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 september 2007 niet kan worden geacht te zijn ingetrokken met het aangepaste Ws-formulier met oorspronkelijke dagtekening 21 maart 2007. De handgeschreven toevoeging van betrokkene bij vraag 3, zoals hiervoor weergegeven onder overweging 1.2, gelezen in samenhang met de vraagstelling van appellante in de brief van 30 maart 2007, zoals eveneens hiervoor weergegeven onder overweging 1.2, kan in redelijkheid tot geen andere conclusie voeren dan dat betrokkene zijn studiefinanciering tussentijds heeft beëindigd per 16 februari 2007 in verband met de succesvolle afronding van de door hem gevolgde MBO-opleiding, maar hij zijn eerdere aanvraag van 14 maart 2007 om studiefinanciering per 1 september 2007 in verband met de aanvang per die datum van de HBO-opleiding Personeel en Arbeid, onverkort heeft gehandhaafd. Nu betrokkene reeds op 14 maart 2007 studiefinanciering heeft aangevraagd met ingang van 1 september 2007, doch de OV-kaart eerst op 19 oktober 2007 voor hem gereed lag, kan niet worden staande gehouden dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 3.29, eerste lid, eerste volzin, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde voor het recht op schadevergoeding wegens het te laat ontvangen van de OV-kaart.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het door appellante ingestelde hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. De Raad acht termen aanwezig om appellante met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM