Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-4851 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Wajung-uitkering met terugwerkende kracht van een jaar voor de datum aanvraag, ingaande 7 mei 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant om medische redenen in de gehele hier relevante periode niet in staat is geweest zijn belangen te behartigen. Met de rechtbank houdt de Raad het er dan ook voor dat het gegeven dat appellant eerst op 7 mei 2007 heeft verzocht om een Wajong-uitkering het gevolg is geweest van onbekendheid met de mogelijkheid van het aanvragen van zodanige uitkering bij hem en bij derden die hem in het verleden hebben bijgestaan. Naar vaste rechtspraak levert onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4851 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2008, 08/189 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld en een rapportage in geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op [in] 1980, heeft op 7 mei 2007 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Appellant heeft daarin vermeld dat hij sedert 17 september 2000 arbeidsongeschikt is. Verder heeft appellant als reden voor de late aanvraag vermeld dat hij niet bekend was met de Wajong.

1.2. De verzekeringsarts G.T. Tan Oen is op grond van door haar op 24 mei 2007 verricht onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant vanaf zijn zeventiende verjaardag ten gevolge van schizofrenie beperkt is in zijn belastbaarheid. Appellant is haar inziens aangewezen op werkzaamheden die psychisch minder belastend zijn met begeleiding. De arbeidsdeskundige J.E.G. Saarloos heeft daarop vastgesteld dat appellant ongeschikt is voor werk in het reguliere arbeidsproces in gangbare, algemeen geaccepteerde arbeid. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 9 juli 2007, met terugwerkende kracht van een jaar voor de datum aanvraag, ingaande 7 mei 2006 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Appellant heeft tegen de ingangsdatum van zijn uitkering bezwaar gemaakt. Appellant is van mening dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv gebruik had behoren te maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van de in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wajong neergelegde hoofdregel dat een uitkering niet eerder wordt verleend dan met ingang van een jaar voor de datum van aanvraag. Appellant heeft daartoe - onder meer - aangevoerd dat hij vanwege ernstige psychische problemen niet in staat is geweest om eerder een beroep op de Wajong te doen.

2.2. Het tegen het besluit van 9 juli 2007 gemaakte bezwaar van appellant is bij besluit van 11 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft, mede op basis van de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, ten aanzien van appellant geen bijzonder geval aangenomen. De Brouwer kwam in zijn rapportage van 2 november 2007 tot de conclusie dat appellant zich medisch gezien tot in 1999 alleszins normaal heeft ontwikkeld. Er waren, zo stelt De Brouwer, mogelijk wel enige problemen maar niet zodanig dat appellant de gevolgen van het eigen handelen of juist niet handelen niet kon beseffen of overzien. Appellant was naar het oordeel van De Brouwer in staat om een Wajong-uitkering aan te vragen. De Brouwer heeft wel aangenomen dat appellant de eerste helft van 1999 en begin 2000 in verband met psychotische verschijnselen niet in staat is geweest om een aanvraag in te dienen. Het Uwv heeft tot slot geoordeeld dat onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid tot het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geen bijzonder geval oplevert.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv de ingangsdatum van de aan appellant toegekende Wajong-uitkering terecht heeft vastgesteld op 7 mei 2006 en dat er geen sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank heeft allereerst het standpunt van het Uwv onderschreven dat onbekendheid met de Wajong geen grond oplevert om een bijzonder geval aan te nemen. Verder heeft de rechtbank in hetgeen door appellant in beroep is gesteld en in de overgelegde medische informatie van de behandelend huisartsen, psychiater C.M. Sterrenburg- Van de Nieuwegiessen van psychiatrisch centrum Delta, het RIAGG en Centrum Indicatiestelling Zorg geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat hij niet eerder dan 7 mei 2007 in staat was om een aanvraag om een Wajong-uitkering in te (laten) dienen. Het feit dat appellant de gevolgen van zijn handelen wellicht niet steeds (geheel) heeft kunnen overzien, doet volgens de rechtbank niet af aan het vooroverwogene.

4. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft onder uiteenzetting van zijn ziektegeschiedenis en verwijzing naar een op 6 oktober 2008 gedateerde rapportage van het Instituut Psychosofia aangevoerd dat de het Uwv en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat hij gedurende een bepaalde periode voor 7 mei 2007 zelfstandig zijn administratie kon voeren en hij zelfstandig zijn financiƫn kon beheren. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij niet alleen moeite heeft in het overzien van de gevolgen van zijn handelen, maar ook dat hij beperkt is in het organiseren en uitvoeren daarvan.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of gelet op de bij appellant bestaande psychische beperkingen in redelijkheid van hem niet gevergd kon worden om voor 7 mei 2007 een aanvraag om uitkering te doen.

5.2. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant om medische redenen in de gehele hier relevante periode niet in staat is geweest zijn belangen te behartigen. Appellant is weliswaar gedurende verschillende perioden buiten staat geweest om een uitkering aan te vragen omdat hij psychotisch was, maar uit de medische stukken blijkt dat dit niet bij voortduring zo is geweest (zo blijkt uit de onder 3 bedoelde informatie van het Deltaziekenhuis dat hij de laatste jaren voor 2007 aanvalsvrij was). De Raad wijst erop dat appellant kennelijk wel in staat is geweest om een bijstandsuitkering aan te vragen. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat appellant er ook in geslaagd is diverse activiteiten, zoals het volgen van een taalcursus, te ondernemen. Met de rechtbank houdt de Raad het er dan ook voor dat het gegeven dat appellant eerst op 7 mei 2007 heeft verzocht om een Wajong-uitkering het gevolg is geweest van onbekendheid met de mogelijkheid van het aanvragen van zodanige uitkering bij hem en bij derden die hem in het verleden hebben bijgestaan. Naar vaste rechtspraak levert onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong.

5.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK