Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-3927 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een AAW-uitkering toe te kennen. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv, gelet op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het besluit van 27 februari 1996 niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond verklaard. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad wijst voorts de stelling van appellante af dat destijds nooit onderzoek heeft plaatsgevonden, nu vaststaat dat appellante bij het medisch onderzoek op 15 januari 1996 door de verzekeringsarts als ernstig slechtziend is beschouwd. Voor wat betreft het beroep van appellante op de andere gezondheidsklachten, overweegt de Raad, dat deze klachten vanwege een andere oorzaak buiten de omvang van dit geding vallen. De Raad merkt hierbij op dat appellante, in verband met na haar zeventiende jaar toegenomen beperkingen, het Uwv kan verzoeken haar een uitkering toe te kennen. De Raad wijst er daarbij op dat dan aan alle voorwaarden dient te zijn voldaan, waaronder de voorwaarde dat appellante verzekerd is voor de betreffende wet. Gelet op het voorgaande, ziet de Raad geen aanleiding om het verzoek van appellante in te willigen om een deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3927 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 mei 2008, 07/880

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P. Geertsema, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009, waar partijen met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluiten van 25 oktober 2002 en 11 januari 2006 heeft het Uwv verzoeken van appellante om terug te komen van zijn beslissing van 27 februari 1996 afgewezen. Bij deze beslissing was bepaald dat appellante geen recht heeft op een AAW-uitkering omdat zij bij aanvang van de verzekering op 12 september 1994 reeds volledig arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 21 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv, gelet op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het besluit van 27 februari 1996 niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat sprake is van verergerde klachten, inhoudende een verslechterd gezichtsvermogen en nek- en schouderklachten. Gelet op het gegeven dat het Uwv ter zake de gestelde klachten nader medisch onderzoek had dienen te verrichten en dit medisch onderzoek destijds nooit heeft plaatsgevonden, kan naar de mening van appellante niet gesteld worden, dat terzake niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Appellante heeft om deze redenen verzocht om inschakeling van een deskundige.

4. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad wijst voorts de stelling van appellante af dat destijds nooit onderzoek heeft plaatsgevonden, nu vaststaat dat appellante bij het medisch onderzoek op 15 januari 1996 door de verzekeringsarts als ernstig slechtziend is beschouwd. Voor wat betreft het beroep van appellante op de andere gezondheidsklachten, overweegt de Raad, dat deze klachten vanwege een andere oorzaak buiten de omvang van dit geding vallen. De Raad merkt hierbij op dat appellante, in verband met na haar zeventiende jaar toegenomen beperkingen, het Uwv kan verzoeken haar een uitkering toe te kennen. De Raad wijst er daarbij op dat dan aan alle voorwaarden dient te zijn voldaan, waaronder de voorwaarde dat appellante verzekerd is voor de betreffende wet. Gelet op het voorgaande, ziet de Raad geen aanleiding om het verzoek van appellante in te willigen om een deskundige in te schakelen.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) R.L. Rijnen.

EK