Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
07-5189 WAO + 07-5190 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering in verband met op geld waardeerbare voordelen uit een dienstbetrekking (ontbindingsvergoeding). De Raad is van oordeel dat de ontbindingsvergoeding in het geval van appellant niet kan worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de op de werkgever rustende verbintenis tot het betalen van de ontbindingsvergoeding uitsluitend is ontstaan door de beschikking van de kantonrechter en dat die ontbindingsvergoeding derhalve niet zijn grond vindt in een op of na 1 augustus 2006 nog bestaande dienstbetrekking van appellant met werkgever. Bovendien vindt de vergoeding haar grond evenmin in enige verplichting van de werkgever rechtstreeks voortvloeiend uit de voor die datum bestaande arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ten onrechte ongegrond verklaard. Daarom komt de aangevallen uitspraak reeds voor vernietiging in aanmerking. De Raad komt niet toe aan de subsidiair door appellant met betrekking tot bestreden besluit 1 aangevoerde grond. De Raad zal bestreden besluit 1 vernietigen en, zelf in de zaak voorziende, het besluit van 1 november 2006 herroepen. Nu aan bestreden besluit 2 de grondslag komt te ontvallen, komt ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking. Voorts zal de Raad eveneens het besluit van 2 november 2006 herroepen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44, geldigheid: 2009-10-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/346

Uitspraak

07/5189 WAO

07/5190 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 augustus 2007, 07/377 en 07/378 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Voor appellant is verschenen mr. M.J. Klinkert, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

1. De feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming.

1.1. Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast was appellant werkzaam bij de besloten vennootschap [adresnaam B.V.] (hierna: [naam B.V.]). De kantonrechter heeft bij beschikking van 27 april 2006 de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam B.V.] op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek ontbonden met ingang van 31 juli 2006, onder toekenning aan appellant van een vergoeding als bedoeld in het achtste lid van die bepaling, van € 5.193,-- bruto ten laste van [naam B.V.].

1.2. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het Uwv het bedrag van de ontbindingsvergoeding voor de toepassing van artikel 44 van de WAO in mindering gebracht op appellants WAO-uitkering over de maand augustus 2006 en is appellant over die maand minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht. Die beslissing is gegrond op de overweging dat alle op geld waardeerbare voordelen uit dienstbetrekking als inkomen uit arbeid dienen te worden aangemerkt. Bij besluit van 2 november 2006 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 450,44 teruggevorderd, zijnde de bruto WAO-uitkering over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 31 augustus 2006. Bij afzonderlijke besluiten van 8 januari 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2006, onderscheidenlijk 2 november 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de besluiten van 8 januari 2007 (bestreden besluit 1, onderscheidenlijk bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij met betrekking tot bestreden besluit 1 overwogen dat de ontbindingsvergoeding die ten laste van de werkgever aan appellant bij het beëindigen van de dienstbetrekking is toegekend, direct verband houdt met dit dienstverband, namelijk met de beëindiging daarvan. De rechtbank vermag niet in te zien dat deze direct aan de dienstbetrekking gerelateerde inkomsten voor de toepassing van artikel 44 van de WAO niet als inkomsten dienen te worden beschouwd. Nu appellant tot en met juli 2006 loon heeft ontvangen, is het niet onredelijk te achten dat het Uwv de bedoelde inkomsten heeft toegerekend aan de maand augustus 2006. Ook bestreden besluit 2 kon de toetsing van de rechtbank doorstaan.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de desbetreffende ontbindingsvergoeding geen inkomsten uit arbeid zijn als bedoeld in artikel 44 van de WAO. Die vergoeding houdt volgens appellant geen verband met aanspraken van de werknemer die hun grondslag vinden in de periode voor de beëindiging van het dienstverband, maar slechts met de (wijze van) beëindiging van het dienstverband. Die vergoeding kan derhalve niet worden beschouwd als inkomen uit arbeid noch als een uitkering terzake van het wegvallen van inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in de Regeling samenloop WAO-uitkering en inkomsten uit arbeid. Ten aanzien van de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 2, heeft appellant verwezen naar hetgeen hij met betrekking tot bestreden besluit 1 heeft aangevoerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 685, eerste lid, van boek 7 van het BW is ieder der partijen bij een arbeidsovereenkomst te allen tijde bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden kan hij volgens het achtste lid van die bepaling, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen. Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO wordt van degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.

Tussen partijen is niet in geschil dat niet vaststaat dat de arbeid bij [naam B.V.] arbeid is in de zin van artikel 18, vijfde lid, van de WAO. In geschil of de desbetreffende ontbindingsvergoeding als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO moet worden gezien. Hetgeen namens appellant ter zitting naar voren is gebracht begrijpt de Raad voorts aldus dat zijn subsidiaire standpunt is dat, indien de ontbindingsvergoeding kan worden geanticumuleerd onder toepassing van artikel 44 van de WAO, dit over een langere periode dient te geschieden dan over alleen de maand augustus 2006. Tussen partijen is - uiteindelijk - niet in geschil dat de ontbindingsvergoeding niet (geheel of gedeeltelijk) kan worden aangemerkt als een tegenprestatie voor arbeid die appellant heeft verricht voor of na het einde van de dienstbetrekking per 31 juli 2006, noch als een compensatie voor het feit dat de arbeidsovereenkomst eerder eindigde dan appellant op grond van de voor hem geldende opzegtermijn of de aard van de arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] mocht verwachten.

4.2. De Raad is van oordeel dat de ontbindingsvergoeding in het geval van appellant niet kan worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de op de werkgever rustende verbintenis tot het betalen van de ontbindingsvergoeding uitsluitend is ontstaan door de beschikking van de kantonrechter en dat die ontbindingsvergoeding derhalve niet zijn grond vindt in een op of na 1 augustus 2006 nog bestaande dienstbetrekking van appellant met [naam B.V.]. Bovendien vindt de vergoeding haar grond evenmin in enige verplichting van de werkgever rechtstreeks voortvloeiend uit de voor die datum bestaande arbeidsovereenkomst.

4.3. Gezien hetgeen in 4.2 is overwogen heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ten onrechte ongegrond verklaard. Daarom komt de aangevallen uitspraak reeds voor vernietiging in aanmerking. De Raad komt niet toe aan de subsidiair door appellant met betrekking tot bestreden besluit 1 aangevoerde grond. De Raad zal bestreden besluit 1 vernietigen en, zelf in de zaak voorziende, het besluit van 1 november 2006 herroepen. Nu aan bestreden besluit 2 de grondslag komt te ontvallen, komt ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking. Voorts zal de Raad eveneens het besluit van

2 november 2006 herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Die bedragen in eerste aanleg € 322,-- en in hoger beroep € 644,-- in beide instanties wegens kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond;

Vernietigt bestreden besluit 1;

Herroept het besluit van 1 november 2006;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

Vernietigt bestreden besluit 2;

Herroept het besluit van 2 november 2006;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ