Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
07-5791 WAO + 09-3073 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het Uwv heeft bij nader besluit het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante per 21 januari 2004 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het besluit tot herziening van haar WAO-uitkering berust op verouderde medische gegevens. De Raad concludeert evenals de rechtbank, dat de twijfels die mogelijk op grond van de rapportages van de zenuwarts Busard zouden kunnen rijzen omtrent de juistheid van de door het Uwv voor appellante geformuleerde beperkingen, niet worden bevestigd door de rapporten van de deskundigen Oei en Bons. Alle beschikbare gegevens wegend oordeelt de Raad daarom, dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan om te kunnen concluderen dat appellante als gevolg van rechtstreeks en objectief medisch vastgestelde gevolgen van ziekte of gebrek, meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellante niet. Gelet op de nadere rapportage d.d. 27 mei 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Kremers en het nadere besluit van 4 juni 2009, concludeert de Raad wel dat het besluit van 29 juli 2004 is gebaseerd op een onvoldoende arbeidskundige grondslag. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 29 juli 2004 is gegrond en de Raad zal dat besluit vernietigen. Nu het Uwv met het besluit van 4 juni 2009, waarbij de WAO-uitkering van appellante per 21 januari 2004 is herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, niet geheel aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen, zal de Raad dat besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding beoordelen. Omdat het besluit is gebaseerd op dezelfde medische grondslag, is er gelet op het vorenoverwogene geen reden deze onvoldoende te achten. De Raad concludeert daarom dat het beroep van appellante voor zover gericht tegen het besluit van 21 januari 2004 ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5791 WAO en 09/3073 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 september 2007, 04/1167 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen en Scheers advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nieuw besluit d.d. 4 juni 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 28 augustus 2009. Voor appellante is H.J.A. Aerts verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is parttime, voor 22 uur per week, werkzaam geweest als baliemedewerkster bij een bank. Zij is eind 1999 met gewrichtsklachten, aangeduid als fibromyalgie, uitgevallen. Het Uwv heeft aan appellante in verband hiermee een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 1 december 2003 heeft het Uwv per 21 januari 2004 de WAO-uitkering van appellante herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Bij besluit van 29 juli 2004 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare deeltijdfuncties een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar ongeveer 34%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 29 juli 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Namens appellante is aangevoerd dat het besluit niet berust op voldoende actuele medische gegevens en voorts dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Appellante meent voor dit standpunt onder meer steun te kunnen vinden in de visie van de zenuwarts H.L.S.M. Busard, die appellante op haar verzoek op 30 maart 2004 heeft onderzocht en in de informatie die door enkele van haar behandelaars is verstrekt, de KNO arts J.R. Avarado-van Os en de neuroloog R.A.H. Hoekstra-van Dalen. Ook acht zij zich gesteund door de rapporten van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen, de zenuwarts/psychiater T.I. Oei en de klinisch-en neuropsycholoog

A. Bons.

3.2. Het Uwv kan zich vinden in de aangevallen uitspraak en meent dat de rechtbank in de genoemde informatie terecht geen aanleiding heeft gezien de voor appellante vastgestelde beperkingen onjuist te achten.

3.3. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd opnieuw beoordeeld of appellante met de voor haar vastgestelde belastbaarheid in staat is te achten de geduide functies te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige E.A. Kremers is van mening dat enkele van de functies ongeschikt zijn voor appellante. Dit heeft geleid tot een nadere berekening van het verlies aan verdiencapaciteit van appellante. Dit verlies bedraagt in de visie van het Uwv per 21 januari 2004 nu ongeveer 47%. Het Uwv heeft daarom bij nader besluit van 4 juni 2009 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 1 december 2003 alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante per 21 januari 2004 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het besluit tot herziening van haar WAO-uitkering berust op verouderde medische gegevens. Het besluit is gebaseerd op het onderzoek door de verzekeringsarts in april 2003 en op medische informatie van de huisarts van appellante van april 2003 en januari 2004. De bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold heeft blijkens zijn rapport van 12 juli 2004 appellante weliswaar niet zelf onderzocht, maar had wel de beschikking over genoemde informatie, alsmede over het voornoemde rapport van Busard. Dat niet alle gegevens afkomstig zijn van of opgevraagd zijn door het Uwv doet hier niet aan af.

4.2. De rechtbank heeft in het meningsverschil tussen de zenuwarts Busard en de bezwaarverzekeringsarts Van den Bold aanleiding gezien om een deskundige om advies te vragen. De zenuwarts Oei heeft appellante onderzocht en geconcludeerd dat zij lijdt aan een aanpassingsstoornis met depressieve en lichamelijke klachten (o.a. fibromyalgie, gewrichts- en rugklachten, kno klachten). Op de vraag of hij kan instemmen met de beperkingen zoals die door de verzekeringsarts in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) zijn opgenomen, heeft hij geantwoord daartegen geen principiële maar wel praktische bezwaren te hebben. Uit de context van zijn rapport en de beantwoording van zijn vragen, concludeert de Raad dat de deskundige deze bezwaren vooral ziet in factoren die geen verband houden met een ziekte of gebrek. De deskundige heeft in dit verband het ook belangrijk geacht, teneinde de motivatie en aandacht van appellante te testen, dat een neuropsychologisch onderzoek wordt verricht. Op verzoek van de rechtbank is dit onderzoek verricht door de neuropsycholoog Bons, die appellante op 13 december 2006 heeft onderzocht en onder meer concludeert dat hij zich nauwelijks kan voorstellen dat appellante in staat was voor halve dagen betaalde arbeid te verrichten. Desgevraagd, mede naar aanleiding van de reacties van Busard en bezwaarverzekeringsarts A. Deitz op deze rapporten, heeft Oei in zijn reacties van 13 juli 2007 en 6 april 2009 aangegeven dat de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek geen betrekking hebben op de beperkingen van appellante op de datum in geding, 21 januari 2004. Niet valt uit te sluiten bijvoorbeeld, dat het concentratievermogen van appellante sindsdien in betekenende mate is verslechterd.

4.2. Gelet hierop concludeert de Raad evenals de rechtbank, dat de twijfels die mogelijk op grond van de rapportages van de zenuwarts Busard zouden kunnen rijzen omtrent de juistheid van de door het Uwv voor appellante geformuleerde beperkingen, niet worden bevestigd door de rapporten van de deskundigen Oei en Bons. Alle beschikbare gegevens wegend oordeelt de Raad daarom, dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan om te kunnen concluderen dat appellante als gevolg van rechtstreeks en objectief medisch vastgestelde gevolgen van ziekte of gebrek, meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellante niet.

4.3. Gelet op de nadere rapportage d.d. 27 mei 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Kremers en het nadere besluit van 4 juni 2009, concludeert de Raad wel dat het besluit van 29 juli 2004 is gebaseerd op een onvoldoende arbeidskundige grondslag.

5. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 29 juli 2004 is gegrond en de Raad zal dat besluit vernietigen.

6.1. Nu het Uwv met het besluit van 4 juni 2009, waarbij de WAO-uitkering van appellante per 21 januari 2004 is herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, niet geheel aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen, zal de Raad dat besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding beoordelen.

6.2. Omdat het besluit is gebaseerd op dezelfde medische grondslag, is er gelet op het vorenoverwogene geen reden deze onvoldoende te achten.

6.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voorts in zijn rapport naar het oordeel van de Raad overtuigend gemotiveerd dat appellante de resterende functies met haar beperkingen moet kunnen uitoefenen. Van de zijde van appellante zijn in dit verband maar ook anderszins geen (arbeidskundige) gronden aangevoerd.

7. De Raad concludeert daarom dat het beroep van appellante voor zover gericht tegen het besluit van 21 januari 2004 ongegrond is.

8. De Raad zal het Uwv overeenkomstig het verzoek van appellante veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering als gevolg van de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse per 21 januari 2004. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995,314 LJN ZB1495.

9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, respectievelijk beroep en hoger beroep. En voorts op € 1.036,10 aan kosten van door een deskundige aan appellante uitgebrachte verslagen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juli 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2009 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente op de wijze als in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.968,10;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) R.L. Rijnen.

EK