Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08/5957 WAO + 08/5958 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herzienning. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5957 en 08/5958 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 september 2008, 07/155 en 07/5035, (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker verzocht mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, om herziening van de aangevallen uitspraak.

Het Uwv voerde verweer, waarop mr. De Jonge schriftelijk reageerde.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 28 augustus 2009. Namens verzoeker is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak besliste de Raad op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2006, 06/2476. De door verzoeker opgeworpen medische beroepsgrond verwierp de Raad en hij onderschreef de weigering om de kosten van de rapporten van het Instituut Psychosofia te vergoeden.

Mr. De Jonge acht herziening van de aangevallen uitspraak aangewezen omdat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende rekening houdt met het wettelijk kader en in strijd is met de jurisprudentie van de Raad. Zij heeft een veelheid aan argumenten aangevoerd waarom de rapporten uitgebracht door het Instituut Psychosofia voor vergoeding in aanmerking behoren te komen.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Volgens de vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid herziening aangewezen is. Een door verzoeker gewenste hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu verzoeker geen feit of omstandigheid als bovenomschreven naar voren heeft gebracht. De aangevoerde argumenten zijn vergelijkbaar met de procedure onder de nummers 07/3821 en 07/3822 en de Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 april 2008 (LJN BD0204) in die zaak.

Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

EK