Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08/1880 WAO + 08/6075 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering (25 tot 35%). Voldoende medische grondslag. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de thans aan de schatting ten grondslag gelegde functies van schilder, spuiter (sbc-code 262170), magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er dan geen sprake is van een nieuwe situatie waarop appellant zich moet kunnen instellen. Dit betekent dat het is toegestaan een dergelijke vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ook achteraf door het duiden van functies te onderbouwen. De Raad merkt hierover op dat uit de stukken geen aanknopingspunten zijn gevonden waaruit blijkt dat appellant als functioneel eenarmig moet worden beschouwd. De Raad ziet geen aanleiding om de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige die specifiek is gericht op het aspect tillen niet over te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1880 WAO en 08/6075 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 februari 2008, 07/1469

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 15 april 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 6 juli 2009 zijn namens appellant nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van Willigen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker [naam functie] toen hij op 28 juni 1999 uitviel voor deze werkzaamheden als gevolg van een snijwond in zijn rechterbovenarm.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van

26 juni 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 november 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick gerapporteerd. Deze verzekeringsarts, die kennis heeft genomen van de in het dossier aanwezige informatie, heeft in zijn rapport van 15 februari 2007 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische oordeel. Uit het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Z. Eggink van 5 maart 2007 volgt dat onvoldoende functies actueel en geschikt zijn voor appellant zodat functies zijn bijgeduid. Bij besluit van 6 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2006 gegrond verklaard, in die zin dat het Uwv met ingang van 29 november 2006 de WAO-uitkering van appellant onveranderd heeft vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en met ingang van 7 mei 2007 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder het geven van bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van appellant gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft de medische grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid.

3.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 november 2006 heeft gehandhaafd op 25 tot 35%, zodat geen sprake is van een nieuwe situatie waarop appellant zich moet kunnen instellen. Volgens de rechtbank is het toegestaan een dergelijke vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ook achteraf te onderbouwen door het duiden van functies. Ten aanzien van de datum 7 mei 2007 is de rechtbank van oordeel dat het Uwv had moeten motiveren waarom de geduide functies op het aspect van het hand- en vingergebruik passend worden geacht. Bestreden besluit 1 is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom de belasting in de functie vleeswarenmaker/visverwerker, zowel als het gaat om het hanteren van een fileermes als om andere handelingen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Tot slot heeft de bezwaararbeidsdeskundige in de functie van confectiestrijker onvoldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant op het item 1.9.7 (werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken) niet wordt overschreden.

4. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv op 15 april 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 november 2006 en 7 mei 2007 ongewijzigd is vastgesteld op 25 tot 35%. Aan deze besluitvorming ligt de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 september 2006 ten grondslag alsmede een rapportage van 3 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige Eggink, waaruit blijkt dat er een nieuwe functie aan de schatting ten grondslag is gelegd en waarin een nadere toelichting is gegeven op de signaleringen in het resultaat functiebeoordeling van de thans voor de schatting gebruikte functies. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd op 25 tot 35%.

5. Namens appellant zijn in hoger beroep de in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte grieven tegen de medische en arbeidskundige grondslag staande gehouden. Onder meer is aangevoerd dat in de FML de beperkingen niet correct zijn weergegeven daar de psychische beperkingen van appellant ernstiger zijn. Voorts wordt er geen rekening mee gehouden dat appellant zijn rechterhand nauwelijks kan gebruiken. De psycholoog die appellant in het kader van de toepassing van de WSW heeft gezien, heeft gekeken naar wat appellant nog kan. Deze onafhankelijke deskundige heeft volgens appellant geconcludeerd dat appellant ‘er weinig bij kan hebben’. Volgens de psycholoog is appellant zeer beperkt in het werken in een omgeving met veel prikkels. Tot slot heeft appellant gemotiveerd de passendheid van de geduide functies bestreden.

6. De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 en wordt laatstgenoemd besluit om die reden in de beoordeling van het hoger beroep van appellant betrokken.

7.1. Wat betreft de in hoger beroep staande gehouden bezwaren tegen de medische grondslag van bestreden besluit 1, overweegt de Raad dat hij zich geheel kan vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. De Raad neemt die overwegingen en dat oordeel over.

7.2. Naar aanleiding van de ook in hoger beroep staande gehouden grond dat appellant volgens de psycholoog die appellant heeft gezien in het kader van een WSW-beoordeling meer beperkt is dan is aangenomen, overweegt de Raad als volgt. Bezwaarverzekeringsarts Van Gulick heeft in zijn rapportage van 8 oktober 2007 aangegeven dat een analyse van een mogelijk onderliggende psychische stoornis onvoldoende uit de gegevens naar voren komt. Tevens beschrijft de psycholoog volgens Van Gulick een aantal emoties/zaken voortvloeiende uit de belevingssfeer van appellant welke op uiteenlopend vlak niet probleemloos verlopen en die zonder nadere uitleg en motivering vertaald worden in uiteenlopende en verdergaande arbeidsbeperkingen. Van Gulick geeft aan dat een en ander niet overtuigt en dat de primaire verzekeringsarts de belastbaarheid op de juiste wijze heeft vastgesteld in de FML. De Raad verenigt zich met de conclusie van Van Gulick.

7.3. Uit de ter beschikking staande stukken kan niet worden ontleend dat appellant in objectief-medische zin verdergaand beperkt is te achten dan waarvan de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn uitgegaan. Mede gelet hierop onderschrijft ook de Raad de medische onderbouwing van bestreden besluit 1.

7.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8.1. Met betrekking tot het mede tegen bestreden besluit 2 gericht geachte beroep, overweegt de Raad als volgt.

8.2. Dit besluit berust op dezelfde - hiervoor omschreven - medische grondslag als bestreden besluit 1. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de thans aan de schatting ten grondslag gelegde functies van schilder, spuiter (sbc-code 262170), magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en wasserijmedewerker (sbc-code 272020) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant.

8.3. Namens appellant is aangevoerd dat het in deze fase van de procedure niet is toegestaan om de functie van magazijn, expeditiemedewerker bij te duiden. Bij bestreden besluit 2 blijft appellant ingedeeld in zijn ongewijzigde arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er dan geen sprake is van een nieuwe situatie waarop appellant zich moet kunnen instellen. Dit betekent dat het is toegestaan een dergelijke vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ook achteraf door het duiden van functies te onderbouwen.

8.4. Namens appellant is ten aanzien van de functies schilder, spuiter en wasserijmedewerker aangevoerd dat appellant niet in staat is om met zijn niet-dominante hand de werkzaamheden te verrichten. De Raad merkt hierover op dat uit de stukken geen aanknopingspunten zijn gevonden waaruit blijkt dat appellant als functioneel eenarmig moet worden beschouwd. De Raad is, evenals het Uwv, van oordeel dat appellant in staat is om de geduide functies uit te voeren nu de desbetreffende werkzaamheden niet met kracht uitgeoefend hoeven te worden, waar appellant met rechts geen kracht kan zetten, en appellant de desbetreffende werkzaamheden ook met links kan uitvoeren.

8.5. Ten aanzien van het bezwaar tegen het aspect tillen in de functies schilder, spuiter en magazijn, expeditiemedewerker overweegt de Raad dat bezwaararbeidsdeskundige Eggink in zijn rapportage van 3 april 2008 heeft gemotiveerd dat de belasting op het aspect tillen in de geduide functies binnen de belasting van appellant valt. De Raad ziet in hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd geen aanleiding om de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige die specifiek is gericht op het aspect tillen niet over te nemen.

8.6. Gelet op het voorgaande dient het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond te worden verklaard.

9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.E. van Rooij.

TM