Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-4611 WWB + 08-4612 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overwegingen t.b.v. nadere besluitvorming; tijdstip nader aangevoerde gronden; vermogensvaststelling; hypotheeklasten eigen woning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 257
USZ 2009/352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4611 WWB

08/4612 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], appellant, en [Appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2008, 08/651

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe

(hierna: College)

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Voor appellanten is verschenen mr. Roethof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G.W. Radstaat, werkzaam bij de gemeente Overbetuwe.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 1 december 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 11 december 2004 is de moeder van appellante overleden. Als haar aandeel in de erfenis ontving appellante op 20 april 2006 € 40.272,38 op haar bankrekening. Appellanten hebben het College van een en ander in kennis gesteld.

1.3. Bij brief van 3 juli 2006 is aan appellanten meegedeeld dat hun vermogen per 1 mei 2006 op € 10.360,00 is vastgesteld, zijnde de ingevolge artikel 34, derde lid, van de WWB geldende vermogensgrens voor gehuwden. Tevens is het vermogen boven de vermogensgrens berekend op € 20.500,59. Daarbij is opgemerkt dat een afzonderlijk besluit inzake de hoogte van de terugvordering en de wijze van terugbetaling zal worden toegezonden.

1.4. Bij besluit van 4 augustus 2006 zijn, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, de over de periode van 11 december 2004 tot en met 30 april 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 20.500,59.

1.5. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het College na gemaakt bezwaar het besluit van 4 augustus 2006, gelezen in samenhang met de brief van 3 juli 2006, gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 januari 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit met toepassing van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en - blijkens de rechtsoverwegingen - bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het College een onjuist bedrag tot uitgangspunt voor de vermogensvaststelling heeft genomen. Met het oog op de toekomstige besluitvorming heeft de rechtbank een aantal overwegingen ten overvloede in de uitspraak opgenomen met betrekking tot de vraag of en in hoeverre bij de vermogensvaststelling rekening dient te worden gehouden met de op de woonwagen c.a. rustende hypotheekschuld, de gestelde schuld aan N.(lees: P) [naam P], de gestelde kosten in verband met de aanpassing/renovatie van de woonwagen, de afkoopwaarde van de levensverzekeringspolis en het al dan niet hanteren van een interingsnorm.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aanvankelijk hebben appellanten als enige beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank de schuld aan [naam P] ten onrechte niet als schuld met een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting heeft aangemerkt. Bij brief van 7 augustus 2009 heeft mr. Roethof de beroepsgronden uitgebreid/aangevuld onder bijvoeging van een aantal bijlagen. Deze uitbreiding/aanvulling heeft betrekking op de hypotheekschuld, de verzekering en de renovatie van de woonwagen.

4. Het College heeft ter zitting van de Raad verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende gronden buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze in strijd met de goede procesorde niet tijdig zijn ingediend.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De omvang van het hoger beroep

5.1. De Raad stelt eerst vast dat het hoger beroep van appellanten zich richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank een aantal overwegingen zijn gegeven met het oog op nadere besluitvorming door het College. Een dergelijk hoger beroep is ontvankelijk indien van die overwegingen kan worden gezegd dat zij een zodanige inhoud of strekking hebben dat partijen daaraan gebonden zijn te achten. Naar het oordeel van de Raad is dat hier het geval. Het enkele feit dat het College, anders dan waartoe hij gehouden was, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank nog geen nieuw besluit op bezwaar heeft genomen kan hier uiteraard niet aan afdoen.

De nader aangevoerde gronden

5.2. De Raad stelt voorop dat, anders dan appellanten betogen, het enkele feit dat de nader aangevoerde gronden elf dagen voor de zitting zijn ingebracht niet betekent dat zij reeds om die reden zonder meer bij de beoordeling door de Raad dienen te worden betrokken. Niet alleen artikel 8:58 van de Awb maar ook de goede procesorde begrenst immers de mogelijkheid om na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn nieuwe dan wel aanvullende gronden in te dienen. Anderzijds moet de Raad vaststellen dat deze nadere gronden, die ook reeds in eerste aanleg aan de orde zijn geweest, gezien de aard en omvang daarvan geen (tijdrovend) nader onderzoek door het College behoefden te vergen en, naar ter zitting door de procesgemachtigde van het College is bevestigd, ook niet hebben gevergd. Overigens is ter zitting van de Raad aan de hand van een pleitnota inhoudelijk verweer gevoerd (ook) tegen de nader aangevoerde gronden. Hoewel niet goed valt in te zien dat appellanten de nader aangevoerde gronden niet eerder hadden kunnen inbrengen, acht de Raad onder de gegeven omstandigheden geen zodanige schending van de goede procesorde aanwezig dat deze gronden bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

De aangevallen uitspraak

5.3. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de WWB.

5.3.1. Appellanten ontvingen op het tijdstip van overlijden van de moeder van appellante (hierna: de peildatum) bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellanten hebben op 20 april 2006 feitelijk de beschikking gekregen over een bedrag van € 40.272,38 als het aandeel van appellante in de nalatenschap van haar moeder, zodat vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend.

5.3.2. Of het College op grond van deze bepaling bevoegd is over te gaan tot terugvordering hangt, zoals de Raad al meermalen heeft overwogen, af van het antwoord op de vraag of de ontvangen middelen, in dit geval € 40.272,38, tezamen met het saldo van de op de peildatum aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld heeft het College ter bepaling van het terugvorderingsbedrag een onjuiste peildatum gehanteerd, zodat de (omvang van de) terugvordering reeds daarom een juiste grondslag ontbeert.

5.3.3. Naar aanleiding van de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting overweegt de Raad nog het volgende.

a. de schuld aan [naam P]

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de gestelde schuld aan [naam P] niet voldoet aan de naar vaste rechtspraak te stellen eisen om in het kader van een vermogensvaststelling te kunnen worden meegenomen. Ook de Raad acht onvoldoende aangetoond dat sprake is van een concrete, voldoende bepaalde, daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

b. de hypotheek op de woonwagen c.a.

Uit de stukken blijkt dat de waarde van de woonwagen en het bijbehorende perceel met bebouwing ten tijde in geding door de rechtbank in een WOZ-procedure is bepaald op afgerond € 60.000,--. De Raad ziet geen aanleiding thans van een ander bedrag uit te gaan. De hypotheeklasten beliepen ten tijde in geding afgerond € 40.000,--. Dit betekent dat het vermogen gebonden in de eigen woning met bijbehorend erf, gelet op artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB, niet als vermogen in aanmerking dient te worden genomen. Anders dan appellanten betogen dienen de hypotheeklasten uitsluitend te worden meegenomen bij de vaststelling van het in de eigen woning gebonden vermogen en niet tevens te worden betrokken bij de vaststelling van het overige vermogen (buiten de eigen woning met bijbehorend erf). Daargelaten dat aldus sprake zou zijn van een dubbeltelling van negatieve vermogensbestanddelen is voor een dergelijke opvatting onvoldoende steun in de tekst of strekking van de toepasselijke bepalingen van de wet of in de wetsgeschiedenis te vinden.

c. de afkoopwaarde van de levensverzekering

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de afkoopwaarde van de levensverzekeringspolis bij de beoordeling van de bijstandsverlening moet worden betrokken. Zoals de Raad al vaker heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 14 maart 2006, LJN AV8541) dient de levensverzekering als in aanmerking te nemen vermogen te worden beschouwd als deze afkoopbaar is en deze afkoop redelijkerwijs kan worden gevergd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan de WWB het beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. In dat verband komt aan het belang van een eventuele toekomstige voorziening in de vorm van een levensverzekering, gelet op het actualiteitsprincipe en het sluitstukkarakter van de WWB, geen betekenis toe. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele afkoop niet van hen kan worden gevergd.

d. de aanpassing/renovatie van de woonwagen

De Raad merkt allereerst op dat een substantieel deel van de gestelde kosten (€ 4.100,-- van de totaalkosten ad € 9.004,31) ziet op de aanschaf van stoffering en fauteuils. Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de kosten van het opknappen van de woonwagen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten die uit de algemene bijstand dienen te worden bekostigd. Als regel bestaat geen grond om dergelijke kosten bij de vermogensvaststelling te betrekken. De Raad ziet geen aanknopingspunten om daar in dit geval anders over te oordelen.

5.3.4. De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat het voorts aan het College is om na de periode waarop de terugvordering ziet tot een nieuwe actuele vermogensvaststelling te komen ten einde te beoordelen of deze gevolgen heeft voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Volledigheidshalve merkt de Raad daarbij op dat in dat kader de ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB vastgestelde vordering van het College als negatief vermogensbestanddeel dient te worden meegenomen.

5.4. In het voorgaande ligt besloten dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient daarom te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

MM