Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
09-799 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt appellant niet omdat de eerste kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zijn gemaakt in mei 2005, terwijl het besluit van 21 april 2006 ziet op kosten die zijn gemaakt vanaf september 2005. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Awb die een afwijking van het beleid rechtvaardigt. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen, te weten dat “bij de toekenning van bijzondere bijstand het eerder regel dan uitzondering zal zijn dat de draagkrachtperiode (veel) langer is dan de datum of periode waarop de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft”. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan hij met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid heeft kunnen afwijken. De Raad stelt vast dat appellant in het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 januari 2009 in het geheel niet heeft onderbouwd dat en waarom de draagkracht van betrokkene hetzelfde blijft indien de draagkrachtperiode vanaf 1 mei 2005 op een jaar wordt bepaald. Ondeugdelijke motivering besluit. Nieuwe beslissing op bezwaar binnen zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/799 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 december 2008, 08/573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 07/6789 WWB en 08/1109 WWB, plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 30 mei 2005 heeft betrokkene een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 225,--.

1.2. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 109,25 en de aanvraag voor het resterende bedrag van € 115,75 afgewezen, omdat de draagkracht van betrokkene voldoende is om dat bedrag te kunnen voldoen. Daarbij is de draagkracht vastgesteld op € 459,75 en is de draagkrachtperiode bepaald op de periode van 1 mei 2005 tot 1 november 2005. Voorts heeft appellant in aanmerking genomen dat met de aldus vastgestelde draagkracht ook de in de periode van september en oktober 2005 gemaakte kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 344,-- hadden kunnen worden voldaan. De door betrokkene ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten heeft appellant om die reden bij besluit van 21 april 2006 afgewezen. Dit besluit is onderwerp van geschil in de procedure met registratienummer 08/1109 WWB waarin heden uitspraak wordt gedaan.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 4 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2008 te nemen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden om in afwijking van zijn beleid de draagkrachtperiode te bepalen op een half jaar niet zijn te beschouwen als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 26 januari 2009 een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2008 genomen. Daarbij heeft appellant dit bezwaar wederom ongegrond verklaard met als motivering dat de draagkracht van betrokkene niet anders wordt indien de draagkrachtperiode op een jaar wordt bepaald. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

5.2. Appellant hanteert bij de beantwoording van de vraag of naar zijn oordeel de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, het beleid dat er een draagkrachtperiode van 12 maanden geldt en dat deze periode ingaat op de eerste dag van de maand waarin de kosten, waarvoor bijstand wordt verleend, zijn ontstaan.

5.3. In dit geval zijn de eerste kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd gemaakt in mei 2005, zodat volgens het beleid van appellant de draagkrachtperiode zou moeten worden bepaald op de periode van 1 mei 2005 tot 1 mei 2006.

5.4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk op goede gronden een afwijkende draagkrachtperiode van een half jaar heeft vastgesteld. Hierbij heeft appellant er in de eerste plaats op gewezen dat hij de draagkrachtperiode al eerder, te weten bij het onder 1.2 genoemde besluit van 21 april 2006, had bepaald op de periode van 1 mei 2005 tot 1 november 2005 en dat dit besluit in zoverre rechtens onaantastbaar is geworden. De Raad volgt appellant reeds daarom niet in dit betoog, omdat in het onderhavige geval de eerste kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zijn gemaakt in mei 2005, terwijl het besluit van 21 april 2006 ziet op kosten die zijn gemaakt vanaf september 2005. Voor laatstbedoelde kosten geldt derhalve volgens het onder 5.2 omschreven beleid een andere draagkrachtperiode dan voor de kosten waar het in de onderhavige zaak om gaat. Dat in het besluit van 21 april 2006 niettemin de draagkrachtperiode is bepaald op 1 mei 2005 tot 1 november 2005 en die periode geen onderwerp van geschil is in de procedure met registratienummer 08/1109 WWB, brengt dan ook niet met zich dat verweerder gehouden is dezelfde draagkrachtperiode te hanteren voor de kosten die zijn gemaakt vanaf mei 2005.

5.5. In de tweede plaats heeft appellant erop gewezen dat alle nota’s waarvoor bijzondere bijstand was gevraagd in de betreffende periode vallen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Awb die een afwijking van het onder 5.2 omschreven beleid rechtvaardigt. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen, te weten dat “bij de toekenning van bijzondere bijstand het eerder regel dan uitzondering zal zijn dat de draagkrachtperiode (veel) langer is dan de datum of periode waarop de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft.”.

5.6. Ten slotte heeft appellant er in hoger beroep op gewezen dat rekening is gehouden met de wijzigingen in het inkomen van betrokkene in de vastgestelde draagkrachtperiode, nu het daadwerkelijke inkomen van betrokkene in deze periode in aanmerking is genomen. Dit ziet echter niet op de lengte van de in aanmerking te nemen draagkrachtperiode, zodat reeds om die reden geen sprake is van een bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin.

5.7. De Raad is, gelet op het vorenstaande, met de rechtbank van oordeel dat appellant geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan hij met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn onder 5.2 omschreven beleid heeft kunnen afwijken. Derhalve heeft de rechtbank het besluit van 29 mei 2008 terecht vernietigd.

5.8. De Raad stelt vast dat appellant in het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 26 januari 2009 in het geheel niet heeft onderbouwd dat en waarom de draagkracht van betrokkene hetzelfde blijft indien de draagkrachtperiode vanaf 1 mei 2005 op een jaar wordt bepaald. Dit besluit ontbeert dan ook een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en dient om die reden te worden vernietigd. Appellant zal een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2008 moeten nemen. Aangezien het hier gaat om een aanvraag van mei 2005 ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat appellant binnen zes weken na heden opnieuw op dat bezwaar beslist.

6. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 26 januari 2009;

Bepaalt dat appellant binnen zes weken na heden opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2008 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK