Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-338 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een IRO. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat een hoger bedrag dan € 5.000,-- noodzakelijk is en dat de door hem aangevraagde IRO de goedkoopste adequate oplossing is. Niet valt in te zien waarom appellant bij het werken aan de in de re-integratievisie opgenomen probleempunten aangewezen zou zijn op het traject van € 12.000,-- bij Up To Date in plaats van een traject (eventueel bij een ander re-integratiebedrijf) van € 5.000,--. De Raad merkt op dat het aangevraagde traject op onderdelen - zoals bijvoorbeeld het opstellen van een curriculum vitae en aan het werken aan mondelinge, schriftelijke en non-verbale communicatie - identiek is aan het eerder door appellant bij Up to Date doorlopen traject. De Raad acht de noodzaak van begeleiding door een financieel communicatiedeskundige onvoldoende aangetoond. Met de bezwaararbeidsdeskundige kan immers worden vastgesteld dat appellant in staat is gebleken werk te verkrijgen. Overigens wordt op basis van het aangevraagde traject niet duidelijk op welke wijze appellant in staat wordt gesteld het verkregen werk te behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/338 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 30 november 2007, 07/1826 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Rotterdam, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 16 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2009. Appellant is niet verschenen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving met ingang van 1 mei 2003 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW).

1.2. Appellant is op 7 juni 2004 door middel van een door Uwv toegekende individuele re-integratieovereenkomst (hierna: IRO) gestart met een traject bij re-integratiebedrijf Up To Date, waarvan de kosten zijn begroot op € 12.000,--. Dit traject is afgesloten met een arbeidsovereenkomst voor zes maanden - ingaande op 1 juni 2005 - in de functie ‘developer’ bij [naam werkgever]., gevestigd te [vestigingsplaats]. Dit dienstverband is nadien niet verlengd.

1.3. Op 10 maart 2006, aangevuld op 11 april 2006 en 8 mei 2006, is een re-integratievisie vastgesteld, waarin onder meer is afgesproken dat appellant bij Uwv een IRO-verzoek zal indienen, gericht op financiële functies. Het accent dient te liggen op persoonlijke aspecten met als hoofdzaken: stressbeheersing, werken aan non-verbale communicatie en leren inspelen op de behoefte van de klant en de werkgever.

2.1. Op 6 juni 2006 heeft appellant bij Uwv een aanvraag voor een IRO ingediend met het daarbij behorend trajectplan, opgesteld door Up To Date, waarvan de kosten zijn begroot op € 12.000,--. Het programma bestaat uit drie onderdelen:

-een actieve begeleiding van zes maanden, waarbinnen processen als verwerking, zelfanalyse, marktanalyse, sollicitatie etc. een plek krijgen;

-een individueel supervisietraject met als doel die sturing te geven binnen een nieuwe werksituatie die nodig is om een optimaal functioneren te realiseren;

-individuele coaching door een financieel communicatiedeskundige, tweewekelijks met een maximum van 12 dagdelen. Dit heeft als doel „toepassing van algemene financiële kennis in een specifieke communicatiesetting ter verkrijging van werk en het verhogen van de persoonlijke effectiviteit.”.

2.2. Bij besluit van 5 juli 2006 heeft Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat het bedrag van de IRO ver boven het daarvoor geldende maximum budget ligt.

2.3. Appellant is per 1 februari 2007 bij [naam werkgever B] in dienst getreden als programmeur - analist. De vacature had hij via het Centrum voor Werk en Inkomen gekregen en hij heeft zelf met succes gesolliciteerd. In de proeftijd is het dienstverband echter namens [naam werkgever B] opgezegd, omdat appellant volgens haar niet voldoende commercieel was ingesteld en niet sociaal was met collegae.

2.4. Bij besluit van 5 april 2007 heeft Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2006 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 maart 2007. Dit berust op het standpunt dat:

-de extra kosten voor een tweede coach niet noodzakelijk zijn. Er zijn geen signalen die er op wijzen dat appellant om medische redenen een extra coach behoeft en tevens blijkt niet dat appellant extra begeleiding nodig heeft in de communicatie nu hij in de tussentijd een baan heeft gevonden; en

-dit niet de goedkoopste adequate oplossing is. Appellant blijkt wel aan de slag te komen, maar niet te blijven. De vraag is of een job-coach niet meer effect had gesorteerd. Appellant heeft wellicht meer kennis nodig om de door hem gezochte functies te vinden, maar daar is een normale opleiding beter voor en wellicht goedkoper.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2007 ongegrond verklaard. De aangedragen argumenten bevatten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor het oordeel dat een forse overschrijding van het vastgestelde maximum bedrag voor een individuele re-integratie noodzakelijk zou zijn. Een op die overschrijding toegesneden motivering dient te worden verstrekt. Evenmin is door appellant aannemelijk gemaakt dat met bedoeld plaatsingsplan is gekozen voor het goedkoopste adequate alternatief. Uwv heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de noodzaak tot het verstrekken van de gevraagde meerkosten door appellant niet is aangetoond.

3.2. In hoger beroep is namens appellant verwezen naar hetgeen in bezwaar en in beroep is aangevoerd. Tevens stelt hij dat hij een dusdanige afstand tot de arbeidsmarkt ondervindt dat hij extra ondersteuning nodig heeft. Hij heeft zowel begeleiding nodig door het re-integratiebedrijf inzake de algemene vaardigheden die nodig zijn om tot arbeidsinpassing te komen alsmede begeleiding door een coach die is ingevoerd in het vakgebied waarop appellant zich moet richten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet (WW) bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot taak heeft de inschakeling in de arbeid te bevorderen van werknemers, niet zijnde overheidswerknemers, die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb. Op grond van artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (hierna: Besluit SUWI) kan Uwv ten behoeve van de werknemer, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de WW, op diens aanvraag een individuele reïntegratieovereenkomst sluiten met een reïntegratiebedrijf of arbodienst, overeenkomstig de voorkeur van de aanvrager, ter uitvoering van werkzaamheden die zijn gericht op de inschakeling in het arbeidsproces. Ingevolge artikel 4.7 van de Regeling Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (hierna: Regeling SUWI) kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitsluitend een IRO afsluiten indien aan een aantal in dat artikel vermelde voorwaarden is voldaan.

4.2. Bij de toepassing van artikel 4.2 van het Besluit SUWI hanteert Uwv het Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst 2006 (hierna: Besluit beoordelingskader). Onder D.1. van de bij het Besluit beoordelingskader behorende bijlage is vermeld dat het maximale bedrag voor uitvoering van een IRO door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is vastgesteld op € 5.000,--. Onder D.2. van deze bijlage is vermeld dat, indien wordt aangetoond dat een hoger bedrag noodzakelijk is om de klant op de arbeidsmarkt te plaatsen, de klant het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan verzoeken een hoger bedrag beschikbaar te stellen voor uitvoering van de IRO. In het plaatsingsplan dient hiertoe gemotiveerd te worden waarom een hoger bedrag noodzakelijk is en dat voor het goedkoopste adequate alternatief is gekozen.

4.3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat een hoger bedrag dan € 5.000,-- noodzakelijk is en dat de door hem aangevraagde IRO de goedkoopste adequate oplossing is. Niet valt in te zien waarom appellant bij het werken aan de in de re-integratievisie opgenomen probleempunten aangewezen zou zijn op het traject van € 12.000,-- bij Up To Date in plaats van een traject (eventueel bij een ander re-integratiebedrijf) van € 5.000,--.

4.3.2. Daartoe merkt de Raad op dat het aangevraagde traject op onderdelen - zoals bijvoorbeeld het opstellen van een curriculum vitae en aan het werken aan mondelinge, schriftelijke en non-verbale communicatie - identiek is aan het eerder door appellant bij Up to Date doorlopen traject. Zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - valt niet in te zien dat appellant deze onderdelen van het traject opnieuw zou moeten volgen.

4.3.3. Voorts acht de Raad de noodzaak van begeleiding door een financieel communicatiedeskundige onvoldoende aangetoond. Met de bezwaararbeidsdeskundige kan immers worden vastgesteld dat appellant in staat is gebleken werk te verkrijgen. Overigens wordt op basis van het aangevraagde traject niet duidelijk op welke wijze appellant in staat wordt gesteld het verkregen werk te behouden.

4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.C.P. Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NW