Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
06-4147 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2003 en over de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 intrekking en terugvordering. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven over hoe hij in de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, door niet alle op de periode in geding betrekking hebbende afschriften van zijn rekeningen bij de ABN-AMRO te overleggen en hij een onvoldoende concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de stortingen van [naam A] van in totaal € 7.924,50 op een van zijn ABN-AMRO rekeningen, onduidelijkheid heeft geschapen en heeft laten voortbestaan over zijn financiële omstandigheden. De Raad is dan ook van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet het recht op bijstand van appellant gedurende de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 en vanaf laatstgenoemde datum niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4147 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2006, 04/4372 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 08/2387 WWB, plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Haring, kantoorgenote van mr. Van den Boogert. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft appellant met ingang van 15 december 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De eerste uitbetaling van de bijstand heeft plaatsgevonden op 29 mei 2003.

1.2. Bij besluit van 28 november 2003 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken. Tevens heeft het College de bijstand over de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.443,42 van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 28 november 2003 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven over de kasstortingen op zijn Postbankrekening, geen duidelijkheid heeft verschaft hoe hij in de eerste helft van 2003 in zijn levensonderhoud heeft voorzien en geen inzicht heeft gegeven in twee op zijn naam staande rekeningen bij de ABN-AMRO, met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of hij recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens toepassing van een onjuiste wettelijke grondslag en het ontbreken van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 5 augustus 2004 in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het College bij het besluit van 28 november 2003 de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2003 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 juli 2006, LJN AY5142, - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. In aanmerking genomen dat het College de bijstand tevens heeft ingetrokken over de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 betekent het voorgaande dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 15 december 2002 tot en met 28 november 2003.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat uit de door appellant overgelegde afschriften van de Postbank blijkt, dat appellant gedurende de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 geen geld heeft opgenomen. Wel hebben gedurende de periode van 7 april 2003 tot en met 21 mei 2003 zes kasstortingen op deze rekening plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 3.100,--.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat appellant het College niet (tijdig) op de hoogte heeft gebracht van twee op zijn naam staande rekeningen bij de ABN-AMRO. Appellant heeft niet aangegeven wanneer hij deze rekeningen heeft geopend. Met betrekking tot de ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer A] heeft appellant over de periode voorafgaande aan 14 januari 2004 geen afschriften overgelegd. Uit een overgelegd printje met betrekking tot die rekening blijkt dat er in die periode wel een mutatie heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer B] heeft appellant in beroep afschriften overgelegd vanaf 16 januari 2003. Op 16 januari 2003 was sprake van een saldo van € 672,57 op het voorafgaande afschrift. Op de afschriften van laatstgenoemde rekening blijkt tevens dat [naam A]

(hierna: [naam A]) bedragen heeft gestort op 6 februari 2003, 3 maart 2003, 17 maart 2003 en 13 mei 2003 van respectievelijk € 3.883,50, € 1.545,--, € 996,-- en € 1.500,--.

4.4. Voor wat betreft de stortingen op zijn Postbankrekening heeft appellant aangevoerd dat hij deze bedragen heeft geleend omdat hij gedurende de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 nog geen bijstand ontving maar zijn vaste lasten wel van deze rekening werden afgeschreven. In verband hiermee heeft appellant een drietal schriftelijke verklaringen overgelegd waaruit volgt dat aan appellant in totaal een bedrag van € 2.400,-- is geleend. De Raad is van oordeel dat appellant met het overleggen van deze verklaringen weliswaar een (gedeeltelijke) verklaring heeft gegeven over de kasstortingen op zijn Postbankrekening maar nog steeds niet heeft onderbouwd hoe hij in de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.5. Voor wat betreft de ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer B] merkt de Raad het volgende op. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om genoegzaam aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Appellant heeft gesteld dat het tegoed op de betreffende rekening toebehoort aan de in Jordanië woonachtige [naam A] en dat hij het geld op die rekening slechts voor [naam A] beheerde. Als [naam A], die volgens appellant zelf geen rekening in Nederland kon openen, in Nederland was, ontving hij de door appellant contant voor [naam A] opgenomen bedragen weer terug. Deze stelling heeft appellant naar het oordeel van de Raad niet met voldoende concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. De Raad hecht aan de door [naam A] afgelegde schriftelijke verklaring dat hij op 13 februari 2003, 13 maart 2003, 27 maart 2003 en 22 mei 2003 de hiervoor genoemde bedragen van appellant heeft ontvangen niet die waarde die appellant daaraan toegekend wil zien. De Raad overweegt hiertoe dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat [naam A] daadwerkelijk in Nederland is geweest op de vier genoemde data noch is bewijs overgelegd dat deze geldbedragen daadwerkelijk aan [naam A] zijn overgedragen. Bovendien valt uit de bankafschriften op te maken dat gedurende de periode van 21 januari 2003 tot en met 28 augustus 2003, naast de hiervoor genoemde kasopnamen, regelmatig kleine pinbetalingen en kleine kasopnames hebben plaatsvonden waarvoor appellant geen verklaring heeft gegeven.

4.6. De Raad is van oordeel dat, nu appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven over hoe hij in de periode van 15 december 2002 tot eind mei 2003 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, door appellant niet alle op de periode in geding betrekking hebbende afschriften van zijn rekeningen bij de ABN-AMRO zijn overgelegd en hij een onvoldoende concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de stortingen van [naam A] van in totaal € 7.924,50 op een van zijn ABN-AMRO rekeningen, onduidelijkheid heeft geschapen en heeft laten voortbestaan over zijn financiële omstandigheden. De Raad is dan ook van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet het recht op bijstand van appellant gedurende de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 en vanaf laatsgenoemde datum niet is vast te stellen.

4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 en vanaf 1 oktober 2003 de bijstand van appellant in te trekken. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake intrekking.In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid had moeten afwijken.

4.8. Uit 4.7 volgt dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef onder a, van de WWB de voor de periode van 15 december 2002 tot 1 oktober 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.443,42 van appellant terug te vorderen. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van art. 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

4.9. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B.E. Giesen.

IJ