Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
09-1182 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Bij brief van 11 februari 2008 heeft appellante het College om een betalingsregeling verzocht alsmede om op basis van het door het College gehanteerde beleid de restschuld kwijt te schelden nadat drie jaar aan de betalingsregeling is voldaan. Bij brief van 12 februari 2008 heeft het College daarop geantwoord dat het voornemen bestaat om op de uitkering van appellante van het UWV beslag te leggen, waarbij rekening zal worden gehouden met de beslagvrije voet. Tevens heeft het College erop gewezen dat uitgegaan wordt van een algehele terugbetalingsverplichting en dat er geen beperkingen gelden in de zin van een maximum aantal terugbetalingstermijnen omdat het in casu om een fraudevordering gaat. Naar het oordeel van de Raad bevat de brief van 12 februari 2008, voor zover van belang, slechts mededelingen van informatieve aard omtrent onder meer het invorderingsbeleid. Daarbij is van belang dat het inleidende verzoek van appellante, waarop de brief van 12 februari 2008 het antwoord vormt, betrekking heeft op een in de toekomst te nemen besluit waarbij, op grond van de dan aanwezige feiten en omstandigheden, over het al dan niet verlenen van kwijtschelding zal (kunnen) worden besloten. Niet is in te zien dat deze brief enig rechtsgevolg teweeg heeft gebracht. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 17 juni 2008 ingestelde beroep terecht gegrond heeft verklaard en dat besluit terecht heeft vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen, met dien verstande dat de Raad op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak zal voorzien door het bezwaar van appellante tegen de brief van 12 februari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1182 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 januari 2009, 08/742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Menterwolde.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 4 december 2007, voor zover van belang, heeft het College de bijstand van appellante en [naam E.H.] over de periode van 1 maart 2006 tot 1 oktober 2007 herzien en de kosten van bijstand over deze periode van hen teruggevorderd. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.1. Bij brief van 11 februari 2008 heeft appellante het College om een betalingsregeling verzocht alsmede om op basis van het door het College gehanteerde beleid de restschuld kwijt te schelden nadat drie jaar aan de betalingsregeling is voldaan.

1.2. Bij brief van 12 februari 2008 heeft het College daarop geantwoord dat het voornemen bestaat om op de uitkering van appellante van het UWV beslag te leggen, waarbij rekening zal worden gehouden met de beslagvrije voet. Tevens heeft het College erop gewezen dat uitgegaan wordt van een algehele terugbetalingsverplichting en dat er geen beperkingen gelden in de zin van een maximum aantal terugbetalingstermijnen omdat het in casu om een fraudevordering gaat.

1.3. Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen de brief van

12 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 17 juni 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat de brief van 12 februari 2008 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg.

4.2. Naar het oordeel van de Raad bevat de brief van 12 februari 2008, voor zover van belang, slechts mededelingen van informatieve aard omtrent onder meer het invorderingsbeleid. Daarbij is van belang dat het inleidende verzoek van appellante, waarop de brief van 12 februari 2008 het antwoord vormt, betrekking heeft op een in de toekomst te nemen besluit waarbij, op grond van de dan aanwezige feiten en omstandigheden, over het al dan niet verlenen van kwijtschelding zal (kunnen) worden besloten. Niet is in te zien dat deze brief enig rechtsgevolg teweeg heeft gebracht.

4.3. Het bezwaar van appellante was dan ook niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 17 juni 2008 ingestelde beroep terecht gegrond heeft verklaard en dat besluit terecht heeft vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen, met dien verstande dat de Raad op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak zal voorzien door het bezwaar van appellante tegen de brief van 12 februari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ