Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-4655 WWB + 09-3724 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning bijstand. Bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Bewijs verzenden besluit. De Raad kan zich (...) verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het College de verzending van het besluit (...) niet aannemelijk heeft gemaakt. Geen verzendregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4655 WWB

09/3724 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2008, 07/2416 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna betrokkene

en

appellant

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader besluit op bezwaar ingezonden. Mr. De Jong heeft een nadere schriftelijke reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein. Betrokkene en mr. De Jong zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft appellant op grond van de Wet werk en bijstand aan betrokkene bijstand toegekend met ingang van 14 november 2006.

1.2. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 20 maart 2007 door appellant is ontvangen. Het bezwaar richt zich tegen de ingangsdatum van de bijstand, die volgens betrokkene behoort te worden bepaald op 28 september 2006.

1.3. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 26 juli 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en appellant opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van betrokkene. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiseres:

“Volgens vaste jurisprundentie van de Centrale Raad van Beroep komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk (op de betreffende dag) is verzonden voor rekening van de verzender. Daarbij wordt echter niet uitgesloten dat langs andere weg aannemelijk wordt gemaakt dat het besluit is verzonden.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 19 januari 2007 niet aangetekend is verzonden. Verweerder heeft tijdens de beroepsprocedure een uitdraai overlegd van het registratiesysteem werkprocessen alsmede een beschrijving van de procedure inzake de uitgaande postverwerking. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door middel van het minuut-exemplaar en het zich bij de gedingstukken bevindende besluitformulier voldoende is aangetoond dat het besluit op 19 januari 2007 aan eiseres is verzonden. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de besluitvorming en de verzendprocedure. Verweerder heeft in dat kader verklaard dat uit de beschikbare bewijsstukken blijkt dat het besluit op 19 januari 2007 door klantmanager [K.] is gecontroleerd en is ondertekend, waarna het besluit ter verzending in het postvak is gelegd. Voorts is het werkproces, zoals blijkt uit het registratiesysteem, op 19 januari 2007 afgesloten. De vraag van de rechtbank of op de postkamer een verzendregistratie wordt bijgehouden, heeft verweerder ontkennend beantwoord.

De rechtbank ziet in de hierboven geschetste gang van zaken met betrekking tot de postverzending niet zodanig waarborgen voor een betrouwbare vastlegging van de verzenddatum dat op grond daarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat het besluit daadwerkelijk op 19 januari 2007 aan de post ter zending is aangeboden. De rechtbank acht in dit kader van belang dat op de postkamer van verweerder geen verzendregister wordt bijgehouden, danwel van de verzending in een computersysteem afzonderlijk aantekening wordt gemaakt.

Nu verweerder de verzending van het besluit niet aannemelijk heeft gemaakt, is niet aannemelijk geworden dat het besluit op 19 januari 2007 bekend is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit eerst door het deponeren hiervan in de brievenbus van eiseres op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb bekendgemaakt. Eiseres heeft vervolgens zo spoedig mogelijk een bezwaar ingediend.”.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Bij brief van 6 juli 2009 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar van 3 juli 2009 aan de Raad gezonden. Bij dat besluit is het bezwaar van betrokkene ontvankelijk en ongegrond verklaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de aangevallen uitspraak

5.1. Voor de in dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Indien uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel eerder moet hebben ontvangen en de ontkenning van die eerdere ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt niet alleen die ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending. Het gaat dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd, zoals bijvoorbeeld een verzoek om inzage van stukken die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen, waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Hiervan is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake. Betrokkene heeft geen verklaringen afgelegd of handelingen verricht waaruit moet worden afgeleid dat zij het besluit van 19 januari 2007 - binnen korte tijd na de datum waarop het volgens appellant aan haar is verzonden - daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook overigens ziet de Raad geen grondslag voor het oordeel dat betrokkene de ontvangst van het besluit van 19 januari 2007 op ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Appellant heeft nog aangevoerd dat betrokkene over het niet ontvangen van het primaire besluit tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De Raad volgt appellant hierin niet. Hij verenigt zich met het oordeel van de rechtbank zoals neergelegd in onderdeel 2.4 van de aangevallen uitspraak. Het in dit verband ten slotte door appellant naar voren gebrachte standpunt dat de brievenbus van betrokkene defect was en dat het voor haar risico behoort te komen dat de post dan niet aankomt, acht de Raad door betrokkene voldoende weerlegd met de mededeling van betrokkene dat het hier ging om een defecte klep van de brievenbus en dat dit nog niet betekende dat in de brievenbus geen post kon worden gedeponeerd. De juistheid van deze mededeling is door appellant niet betwist.

5.3. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat appellant de verzending van het besluit van 19 januari 2007 niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad neemt daartoe de onder 3 aangehaalde overwegingen van de rechtbank over. Hij voegt daaraan het volgende toe. Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep zowel schriftelijk als mondeling ter zitting nadere inlichtingen verschaft over de werkwijze met betrekking tot de registratie van uitgaande poststukken bij de gemeente Nieuwegein. Dit heeft ook de Raad niet tot het oordeel gebracht dat voldoende zekerheid bestaat dat het in geding zijnde besluit daadwerkelijk op 19 januari 2007 aan de post ter verzending is aangeboden. De registratie van uitgaande brieven, zo begrijpt de Raad uit de gegeven inlichtingen, eindigt op de werkplek van de behandelend ambtenaar. Naderhand worden alle uitgaande brieven verzameld en naar de postkamer gebracht. Op de postkamer zelf wordt geen verzendregister bijgehouden.

5.4. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het besluit van 3 juli 2009

5.5. In aanmerking genomen dat het bij de rechtbank niet tot een inhoudelijke beoordeling is gekomen van het standpunt van betrokkene dat de bijstand met ingang van 28 september 2006 dient te worden toegekend en partijen hun standpunten over het nadere besluit noch tijdens het vooronderzoek van de Raad noch ter zitting van de Raad hebben uitgewisseld, ziet de Raad aanleiding, zoals door betrokkene verzocht, het besluit van 3 juli 2009 thans niet te beoordelen. Het geding voor zover dat betrekking heeft op dat besluit wordt verwezen naar de rechtbank Utrecht.

De proceskosten

6. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verwijst het geding voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2009 naar de rechtbank Utrecht;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 433,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.

DW