Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-2183 WWB + 08-2184 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellanten gedurende de periode van 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004 (periode 1) hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. Voor de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 (periode 2) komt de Raad echter tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2183 WWB

08/2184 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2008, 06/3709 en 06/3749 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. de Miranda, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellanten is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Miranda. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Miranda. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf december 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2004 beëindigd op de grond dat zij onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt over haar woon- en leefsituatie. Bij besluit op bezwaar van 8 juni 2004 is het besluit van 20 februari 2004 gehandhaafd.

1.2. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellante heeft het College haar met ingang van 15 maart 2004 wederom bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de aan dat besluit ten grondslag liggende ambtelijke rapportage blijkt dat uit onderzoek - waaronder een huisbezoek op 14 mei 2004 - naar voren is gekomen dat sprake is van een gewijzigde situatie ten opzichte van de situatie die heeft geleid tot de beëindiging van de bijstand per 1 maart 2004. De bijstand is met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken wegens inkomsten van appellante boven de voor haar geldende bijstandsnorm.

1.3. De sociale recherche van de gemeente Amsterdam heeft - onder meer naar aanleiding van anonieme meldingen van september, oktober en november 2003 dat appellante al vanaf het begin van dat jaar samenwoont met appellant - een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht en zijn appellanten en diverse getuigen gehoord. Het resultaat van het onderzoek is neergelegd in een rapport van 17 november 2005.

1.4. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 28 maart 2006 de bijstand van appellante over de periode van 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004 en van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 in te trekken en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand van appelante terug te vorderen tot een bedrag van € 21.419,62. Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het College het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante gedurende deze periodes met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat zij dat niet aan het College heeft gemeld.

1.5. Bij besluit van 24 april 2006 heeft het College het bij 1.4 genoemde bedrag mede teruggevorderd van appellant. Bij afzonderlijk besluit van 20 juni 2006 heeft het College het door appellant tegen het besluit 24 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellanten hebben - op dezelfde datum - ieder afzonderlijk beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij bestrijden dat zij in de door het College genoemde periodes hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Wel wordt door hen erkend dat gedurende deze periodes sprake is geweest van wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of appellanten gedurende de hier relevante periodes hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.

4.2. Appellante stond gedurende deze periodes ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1]. Appellant heeft van 27 januari 2003 tot 23 augustus 2004 ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] (later vernummerd tot [nr.]) te [plaatsnaam 1]. Vanaf laatstgenoemde datum staat hij ingeschreven in de gemeente [woonplaats]. Volgens vaste rechtspraak van de Raad hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.3. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellanten gedurende de periode van 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004 (periode 1) hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante. Tijdens het op 17 oktober 2003 verrichte huisbezoek op het adres van appellante zijn spullen van appellant, waaronder kleding en administratieve bescheiden, aangetroffen. Op 8 januari 2004 is een onaangekondigd huisbezoek op het adres van appellante verricht. Bij die gelegenheid zijn appellanten in de woning aangetroffen. Appellant heeft toen verklaard dat hij woont op het adres waarop hij staat ingeschreven, dat hij daar 4 tot 5 nachten verblijft en voor het overige op het adres van appellante is. De verklaring van appellant over het adres waar hij op dat moment zei te wonen wordt evenwel tegengesproken door de hoofdbewoner van genoemd adres, een neef van appellant, die tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat appellant weliswaar op zijn adres ingeschreven heeft gestaan, maar er nooit heeft gewoond. Voorts kennen enkele buurtbewoners, als getuigen gehoord, appellant niet als bewoner van het adres [adres 2]. Appellanten hebben aangevoerd dat het College in ieder geval niet heeft aangetoond dat er al sprake was van samenwoning in de periode voorafgaand aan de start van het onderzoek in oktober 2003. De Raad volgt appellanten daarin niet. Uit hetgeen appellant blijkens bladzijden 3 en 4 van het proces-verbaal van zijn verhoor op 15 september 2005 heeft verklaard leidt de Raad af - hoewel die verklaring niet geheel consistent is - dat appellant, nadat zijn relatie met appellante in 2002 was hersteld, in januari 2003 samen met haar is gaan wonen op haar nieuwe woonadres [adres 1]. Appellanten hebben, zo blijkt uit die verklaring, zich toen ook aan de buren voorgesteld. Het standpunt van het College dat de samenwoning toen al is aangevangen vindt voorts steun in meerdere verklaringen van buurtbewoners, die door de sociale recherche als getuige zijn gehoord. De Raad betrekt bij het voorgaande dat appellante op 31 maart 2004 heeft verklaard dat appellant voorheen drie tot vier keer per week bij haar overnachtte.

4.4. Voor de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 (periode 2) komt de Raad echter tot een ander oordeel. Nadat de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2004 was beëindigd, heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. In het kader van die aanvraag is een huisbezoek afgelegd en is appellante gehoord. Appellante heeft toen verklaard dat appellant sinds de problemen met de sociale dienst niet meer 3 tot 4 keer per week bij haar overnachtte, maar nog wel geregeld overdag bij haar langskwam voor de kinderen, voor de was, of om bij haar te eten. Op grond van het resultaat van dat onderzoek is het College tot de conclusie gekomen dat er geen grond meer was om aan te nemen dat appellanten samenwoonden. Dat neemt niet weg dat, zoals het College terecht stelt, van die conclusie kan worden teruggekomen op grond van naderhand gebleken feiten en omstandigheden. Op het College rust dan wel, zoals appellanten eveneens terecht naar voren hebben gebracht, de plicht om dat deugdelijk te motiveren. De Raad is van oordeel dat het College niet genoegzaam heeft onderbouwd dat, in weerwil van de eerder getrokken conclusie, ook over de periode vanaf 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 sprake is geweest van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In de verklaringen die appellante op 14 september 2005 en op 8 november 2005 heeft afgelegd kan daarvoor geen steun worden gevonden. Anders dan de rechtbank leest de Raad in de verklaring van appellante van 8 november 2005 geen erkenning van samenwoning in periode 2. Verder is van belang dat na het huisbezoek dat heeft geleid tot herstel van de uitkering van appellante met ingang van 15 maart 2004 geen huisbezoek meer op haar woonadres is afgelegd. Zoals hiervoor is overwogen is de verklaring van appellant over zijn hoofdverblijf niet geheel consistent. De Raad acht de verklaring van appellant zoals opgetekend aan het slot van het proces-verbaal van 15 september 2005 dat hij vanaf 2003/2004 hoofdverblijf had bij appellante, zowel op zichzelf bezien als tegen de achtergrond van de voor de situatie in maart 2004 door het College eerder getrokken conclusie, onvoldoende specifiek om daaraan voor de gehele periode tot en met 31 januari 2005 conclusies te verbinden wat betreft het hoofdverblijf van appellant. Ook de verklaringen van de buurtbewoners zijn op dit punt onvoldoende specifiek.

4.5. Appellante heeft niet aan het College gemeld dat zij gedurende periode 1 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op haar rustende inlichtingen- verplichting geschonden. Deze schending heeft met zich gebracht dat aan appellante over de periode van 27 januari 2003 tot en met 28 februari 2004 ten onrechte bijstand is verleend. Zij had immers over deze periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd de bijstand over deze periode in te trekken. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Uit onderdeel 4.4 volgt dat de intrekking over de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 geen stand kan houden.

4.6. Het voorgaande brengt tevens mee dat over periode 1 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College wat betreft die periode bevoegd was om tot terugvordering van appellante van de ten behoeve van haar gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Voor periode 2 is dat niet het geval.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen staat vast dat appellanten over periode 1 met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verlening van bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden is niettemin achterwege gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat voor periode 1 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de ten onrechte over periode 1 aan appellante verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Voor periode 2 bestond die bevoegdheid niet.

4.8. Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat voor periode 2 geen toereikende grondslag voor intrekking van de bijstand van appellante bestond en daarmee ook niet voor de (mede)terugvordering over die periode, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

4.9. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen. De Raad zal de beroepen gegrond verklaren. Het ten aanzien van appellante genomen besluit van 20 juni 2006 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking voor zover het betreft de intrekking over periode 2 en de terugvordering (geheel). Daarbij tekent de Raad aan dat een terugvorderings- besluit ondeelbaar is, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en dat besluit een executoriale titel oplevert. De Raad ziet voorts aanleiding, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 maart 2006 te herroepen voor zover het betreft de intrekking over periode 2. Het College dient uitsluitend een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering betreft. Met het oog daarop overweegt de Raad dat hij in hetgeen appellante heeft aangevoerd vooralsnog geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet overeenkomstig zijn beleid gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering over periode 1.

4.10. Het ten aanzien van appellant genomen besluit van 20 juni 2006 komt eveneens wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Ook dit besluit is ondeelbaar. Het College zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de Raad dat hij in hetgeen appellant heeft aangevoerd vooralsnog geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet overeenkomstig zijn beleid gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering over periode 1.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar voor appellante, wegens de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 28 maart 2006, en voorts voor elk der appellanten op de helft van € 644,-- in beroep, waarbij de Raad de beroepen beschouwt als samenhangende zaken, en op de helft van € 644,-- in hoger beroep, een en ander voor verleende rechtsbijstand. Bij het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren van appellanten zal het College tevens een beslissing moeten nemen over de in de bezwaarfase door appellant verzochte vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt het ten aanzien van appellante genomen besluit van 20 juni 2006 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005 en de terugvordering (geheel);

Herroept het besluit van 28 maart 2006 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 15 maart 2004 tot en met 31 januari 2005;

Vernietigt het ten aanzien van appellant genomen besluit van 20 juni 2006;

Draagt het College op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren van appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- en in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,--; te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan elk der appellanten het door hen in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 91,50 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

DW