Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-3712 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Niet overleggen van gevraagde gegevens. In het licht van de geschetste omstandigheden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs niet in staat was de beschikking te krijgen over de gevraagde bankgegevens en dat het niet verschaffen daarvan in dit geval dan ook geen schending van de op betrokkene rustende inlichtingenverplichting oplevert.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17, geldigheid: 2009-10-06
Participatiewet 11, geldigheid: 2009-10-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/356

Uitspraak

08/3712 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2008, 08/1665 en 08/1667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. Haring.

II. OVERWEGINGEN

1. 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 16 september 2003 is de bijstand ingetrokken op de grond, kort samengevat weergegeven, dat betrokkene geen bankafschriften had overgelegd van de door hem verzwegen bankrekening bij de Marokkaanse [naam bank], waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

1.2. Na op 5 april 2006 en 30 mei 2006 zonder resultaat nieuwe aanvragen om bijstand te hebben ingediend, heeft betrokkene op 22 oktober 2007 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Appellant heeft betrokkene diverse malen verzocht om - onder meer - alle opeenvolgende bankafschriften van de laatste drie maanden van zijn bankrekening bij de [naam bank] over te leggen, dan wel, indien betrokkene geen rekening meer bij deze bank heeft, bewijsstukken dat de bankrekening niet meer bestaat. Bij brieven van 12 en 27 december 2007 heeft de gemachtigde van betrokkene appellant bericht dat het via de door appellant vermelde telefoonnummers van onder meer de hoofdvestiging van de [naam bank] te Casablanca (Marokko) niet lukt om informatie over de bankrekening te verkrijgen en dat zij voor de zekerheid nog een aantal vestigingen van deze bank heeft aangeschreven.

1.3. Bij besluit van 10 januari 2008 is de aanvraag van 22 oktober 2007 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 27 maart 2008 heeft het College zelf de Amsterdamse vestiging van de [naam bank] verzocht informatie te verstrekken over (het bestaan) van een op naam van betrokkene staande bankrekening bij deze bank. Genoemde vestiging heeft bij brief van 7 april 2008 laten weten volledig onafhankelijk te zijn van de [naam bank] te Marokko en niet bevoegd te zijn informatie te verstrekken over rekeninghouders bij die bank. Voorts wordt medegedeeld dat betrokkene de volgende mogelijkheden heeft om informatie over zijn bankrekening te bemachtigen:

“- Het starten van een juridische procedure via de Marokkaanse ambassade in samenwerking met de Nederlandse ambassade te Rabat.

- [appellant] moet persoonlijk een aanvraag indienen bij zijn bankfiliaal in Marokko.”.

1.5. Bij besluit van 21 april 2008 heeft appellant beslist op het tegen het besluit van 10 januari 2008 gerichte bezwaar van betrokkene. Daarbij is laatstgenoemd besluit in zoverre aangepast, dat de aanvraag om bijstand niet langer meer buiten behandeling wordt gelaten, maar wordt afgewezen op grond van de artikelen 17 en 11 van de WWB. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene in onvoldoende mate heeft getracht inlichtingen te verkrijgen over zijn bankrekening bij de [naam bank] en dat niet is aangetoond dat hij redelijkerwijs niet daarover kan beschikken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2008 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Daartoe is, kort gezegd, overwogen dat betrokkene voldoende heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs niet meer heeft kunnen doen dan hij heeft gedaan om aan de gevraagde inlichtingen te komen, zodat van een schending van de op betrokkene rustende inlichtingenverplichting niet kan worden gesproken.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.2. De Raad stelt vast dat de enige concrete aanwijzing dat betrokkene een bankrekening heeft of heeft gehad bij de [naam bank] te Marokko een overmakingsbewijs is dat in 2005 in zijn paspoort is aangetroffen. Daaruit blijkt dat betrokkene op 21 juli 2005 een bedrag van € 3.000,-- heeft overgemaakt naar bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij de [naam bank] te Casablanca. Niet in geschil is dat gegevens over deze bankrekening, zoals bankafschriften en/of een bewijs dat de bankrekening is opgeheven, van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Vast staat voorts dat betrokkene die gegevens niet heeft verstrekt. Appellant heeft in hoger beroep betwist dat betrokkene voldoende heeft ondernomen om gegevens over de Marokkaanse bankrekening te verkrijgen. Volgens appellant heeft betrokkene niet aangetoond dat hij het juiste bankfiliaal heeft aangeschreven en evenmin dat zijn familie in Marokko pogingen heeft ondernomen om de bankgegevens op te vragen. Ook heeft betrokkene niet aangetoond dat het niet mogelijk is om via een juridische procedure in Marokko aan de gevraagde gegevens te komen.

4.3. Blijkens de beschikbare gegevens heeft betrokkene bij faxbericht van 21 augustus 2006 de hoofdvestiging van de [naam bank] te Casablanca (Marokko) verzocht om informatie over de in geding zijnde bankrekening. Ter zitting van de Raad heeft mr. Haring verklaard dat na verloop van tijd, toen een reactie op dat verzoek uitbleef, vanuit haar kantoor telefonisch contact is opgenomen met de hoofdvestiging van die bank, alsmede met de bankfilialen in België en Nederland, maar dat dit evenmin resultaat opleverde. Daarnaast blijkt uit de beschikbare gegevens dat mr. Haring de Nederlandse vestigingen van de [naam bank], waaronder de Amsterdamse, schriftelijk heeft verzocht informatie te verstrekken over de bankrekening van betrokkene bij die bank. Ook deze verzoeken hebben volgens mr. Haring geen resultaat opgeleverd. De Raad ziet geen aanleiding om de verklaringen van mr. Haring over de inspanningen die zijn geleverd om de bankgegevens boven water te krijgen in twijfel te trekken en is mede op basis daarvan van oordeel dat betrokkene - zonder resultaat - reële pogingen heeft gedaan om informatie over zijn bankrekening bij de [naam bank] te verkrijgen.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant eveneens inspanningen heeft geleverd om aan deze informatie te komen. Appellant heeft daartoe niet volstaan met het onder 1.4 vermelde informatieverzoek aan de Amsterdamse vestiging van de [naam bank], maar ook, zo heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad verklaard, het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) benaderd om informatie over de bankrekening van betrokkene op te vragen bij de Marokkaanse (hoofd)vestiging van deze bank. Volgens die gemachtigde heeft dit laatste echter (ook) geen resultaat opgeleverd, omdat de [naam bank] zich heeft beroepen op haar bankgeheim. De Raad concludeert hieruit dat ook door appellant - zonder resultaat - reële pogingen zijn gedaan om informatie over de in geding zijnde bankrekening te verkrijgen.

4.5. Gelet op de omstandigheid dat uit het onder 4.2 genoemde overmakingsbewijs blijkt dat geld is overgemaakt naar de hoofdvestiging van de [naam bank] te Casablanca, ziet de Raad niet in dat het noodzakelijk/zinvol zou zijn een andere vestiging van deze bank in Marokko schriftelijk om informatie te verzoeken. Bovendien kan uit de onder 1.4 genoemde brief van de Amsterdamse vestiging van de [naam bank] worden afgeleid dat betrokkene de gewenste informatie in persoon in Marokko moet opvragen, wat naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet van betrokkene kan worden gevergd. Gelet op het vereiste van het persoonlijk opvragen van de bankgegevens en gelet op de omstandigheid dat ook het IBF die gegevens niet heeft weten te bemachtigen, kan betrokkene naar het oordeel van de Raad niet worden tegengeworpen dat hij zijn familie in Marokko niet heeft ingeschakeld om gegevens over zijn Marokkaanse bankrekening op te vragen. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat van betrokkene evenmin kan worden gevergd dat hij een juridische procedure in Marokko begint om aan gegevens over die bankrekening te komen, waarbij de Raad het als een gegeven beschouwt dat een dergelijke procedure veel tijd en geld kost.

4.6. In het licht van de onder 4.3 tot en met 4.5 geschetste omstandigheden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs niet in staat was de beschikking te krijgen over de gevraagde bankgegevens en dat het niet verschaffen daarvan in dit geval dan ook geen schending van de op betrokkene rustende inlichtingenverplichting oplevert. Hieruit volgt dat de rechtbank het besluit van 21 april 2008 terecht heeft vernietigd. Het hoger beroep is dan ook ongegrond en de aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ