Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
08-4617 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding vermogensgrens. Bezit onroerend goed in buitenland. Schending inlichtingenverplichting. Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Nader besluit. In de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitvoerig aangegeven dat en waarom zij aannemelijk acht dat betrokkene het perceel in 1995 aan haar neef heeft geschonken, dat deze er voor eigen rekening een woning op heeft gebouwd, dat destijds is nagelaten de overdracht juridisch te formaliseren en dat dit verzuim - naar aanleiding van de verwikkelingen rond de bijstand van betrokkene - in 2006 alsnog is goedgemaakt. In aanmerking genomen dat het College in hoger beroep geen (nadere) argumenten heeft aangevoerd waarom deze zienswijze van de rechtbank onjuist zou zijn, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4617 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s Gravenhage (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 24 juni 2008, 07/6038 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J. Hulsbosch, advocaat te ’s Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Op 18 mei 2009 heeft appellant een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s Gravenhage. Voor betrokkene is mr. Hulsbosch verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB). In 1999 heeft appellant een anonieme tip ontvangen dat betrokkene in Suriname een nieuw huis heeft laten bouwen. Appellant heeft daarnaar een onderzoek laten instellen door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF).

1.2. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door een onroerende zaak in Suriname te verzwijgen en dat zij met die zaak heeft beschikt over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens, zodat zij geen recht had op bijstand. Om die reden heeft appellant bij besluit van 27 december 2005 de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 47.350,88 van betrokkene teruggevorderd.

1.3. Na vernietiging van een eerder besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar door de rechtbank bij uitspraak van 6 april 2007, 06/3960, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, heeft appellant bij het thans in geding zijnde besluit van 6 augustus 2007 opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist. Het bezwaar is daarbij in zoverre gegrond verklaard dat van betrokkene over de periode van 1 juli 1997 tot en met 24 november 2003 een bedrag van € 45.359,70 wordt teruggevorderd. Hieraan is opnieuw schending van de inlichtingenverplichting en overschrijding van de vermogensgrens ten grondslag gelegd. Voorts is bij dit besluit aan betrokkene een vergoeding toegekend van € 644,-- voor de kosten van de bezwaarprocedure.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank in hoofdzaak overwogen dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar perceel in Suriname omstreeks 1995 heeft gegeven aan een neef, die er een huis op heeft gebouwd, en dat de waarde van het perceel zonder huis door appellant ten onrechte niet is vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. Bij het in rubriek I genoemde nieuwe besluit van 18 mei 2009 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, wederom op het bezwaar van betrokkene beslist. Daarbij is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, maar is de motivering in die zin gewijzigd dat bij pogingen om alsnog een taxatie te verrichten is gebleken dat niet meer kan worden bepaald wat ten tijde hier in geding de waarde van de woning was. Hieraan heeft appellant de conclusie verbonden dat, als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand niet meer is vast te stellen. Het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand is afgewezen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Blijkens het verhandelde ter zitting handhaaft appellant niet langer de aan het besluit van 6 augustus 2007 ten grondslag liggende motivering dat wegens overschrijding van de vermogensgrens geen recht op bijstand bestond. Appellant stelt zich thans op het standpunt dat zoals in het nieuwe besluit van 18 mei 2009 is overwogen de waarde van het vermogen van betrokkene en daarmee haar recht op bijstand niet meer is vast te stellen. Reeds hierom moet ervan worden uitgegaan dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. Het nieuwe besluit van 18 mei 2009 wordt hierna op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geschil in hoger beroep betrokken.

5.2. Vast staat dat het in geding zijnde perceel door betrokkene krachtens notariële akte van 14 maart 1995 in eigendom is verkregen. In de hier van belang zijnde periode stond het in de openbare registers van de Republiek Suriname op naam van betrokkene. Pas bij notariële akte van 29 mei 2006 heeft betrokkene het perceel in eigendom overgedragen aan de door haar genoemde neef, voor een koopprijs van SRD 17.500, -.

5.3. De Raad is van oordeel dat betrokkene behoorde te begrijpen dat zij in ieder geval formeel als eigenares van het perceel te boek stond en dat dit gegeven van belang zou kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene, blijkens de akte uit 1995, in persoon voor de Surinaamse notaris is verschenen en daar de verwerving van het perceel met haar handtekening heeft bekrachtigd. Door van de eigendom van het perceel geen melding te maken, heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister ten name van de betrokkene is gesteld de vooronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt dan wel redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene, door te wijzen op een in 1995 gedane informele schenking aan haar neef, in dit tegenbewijs is geslaagd.

5.5. Appellant heeft aangevoerd dat het de rechtbank niet meer vrijstond tot dit oordeel te komen, nu zij reeds in haar uitspraak van 6 april 2007 onherroepelijk had vastgesteld dat betrokkene tot 1 juni 2006 in het bezit was van een stuk grond in Suriname, met daarop een woning. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad zou dit betoog van appellant slechts kunnen slagen indien de rechtbank het beroep van betrokkene op de schenking aan haar neef uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zou hebben verworpen. Dit is echter niet het geval. In de uitspraak van 6 april 2007 ging het om de formeel-juridische eigendom van het perceel die tot medio 2006 inderdaad bij betrokkene berustte en om het feit dat appellant niet deze onroerende zaak van betrokkene maar een elders gelegen perceel van haar broer had laten taxeren. De stelling van betrokkene dat de zaak economisch niet aan haar toekwam, maar aan haar neef, is daarbij niet aan de orde gekomen.

5.6. In de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitvoerig aangegeven dat en waarom zij aannemelijk acht dat betrokkene het perceel in 1995 aan haar neef heeft geschonken, dat deze er voor eigen rekening een woning op heeft gebouwd, dat destijds is nagelaten de overdracht juridisch te formaliseren en dat dit verzuim naar aanleiding van de verwikkelingen rond de bijstand van betrokkene in 2006 alsnog is goedgemaakt. In aanmerking genomen dat appellant in hoger beroep geen (nadere) argumenten heeft aangevoerd waarom deze zienswijze van de rechtbank onjuist zou zijn, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De Raad onderkent dat het op het eerste gezicht ongerijmd is dat de overdracht in 2006 is geschied tegen een in de transportakte vermelde koopprijs van SRD 17.500,- . Betrokkene heeft echter overtuigend uiteengezet dat, mede gezien de inmiddels gestegen waarde van het perceel, vermelding van de schenking of van een symbolische koopprijs van SRD 1, - in de notariële akte op (fiscaal )juridische bezwaren stuitte. Van de zijde van appellant is daar niets tegenover gesteld.

5.7. Dat het perceel informeel aan de neef is geschonken en door deze voor eigen rekening is bebouwd, brengt met zich dat de onroerende zaak voor betrokkene ten tijde hier van belang geen nog te gelde te maken waarde vertegenwoordigde. Gelet daarop was deze zaak niet te beschouwen als een vermogensbestanddeel waarover betrokkene beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB. Van een overschrijding van de voor betrokkene geldende vermogensgrens is dan geen sprake. Evenmin kan worden staande gehouden dat, zoals in het nieuwe besluit van 18 mei 2009 is overwogen, vanwege de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.8. Voor zover nog betekenis toekomt aan het door betrokkene niet in hoger beroep bestreden oordeel van de rechtbank dat ten onrechte taxatie van de (kale) grond zonder de woning achterwege is gebleven, stelt de Raad op grond van de door appellant in het geding gebrachte taxatierapporten vast dat de waarde van die grond in 1995 de tegenwaarde van € 829,08 niet te boven ging. Zelfs indien wordt uitgegaan van de in 2006 in de transportakte opgenomen koopprijs van SRD 17.500, -, hetgeen blijkens de stukken overeenkomt met ongeveer € 4.300,- , is niet aannemelijk geworden dat daardoor de voor betrokkene geldende vermogensgrens wordt overschreden.

5.9. Het vorenstaande betekent dat appellant zich ten onrechte bevoegd heeft geacht de bijstand van betrokkene te herzien en terug te vorderen. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd en het nieuwe besluit van 18 mei 2009 dient te worden vernietigd. Ook het primaire besluit van 27 december 2005 kan niet in stand blijven. Ter finale beslechting van het geschil zal de Raad dit besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb herroepen. Dit betekent dat aan de door de rechtbank gegeven opdracht om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen geen gevolg meer behoeft te worden gegeven.

6. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 966,-- in bezwaar en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Hierop strekt in mindering, voor zover het betreft de in bezwaar gemaakte kosten, hetgeen door appellant op grond van het besluit van 6 augustus 2007 reeds aan betrokkene is betaald.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 mei 2009 gegrond en vernietigt dit besluit;

Herroept het besluit van 27 december 2005;

Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.610,- , waarvan een bedrag van € 644,-- dient te worden betaald aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van appellant een griffierecht van € 433, - wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

DW