Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-3764 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Vaststaat dat in de periode van 1 mei 2003 tot 1 september 2005 11 auto’s en een aanhanger bij de RDW, veelal gedurende korte tijd, op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan en dat appellant deze voertuigen aan derden heeft overgedragen voor export naar Irak. Appellant heeft ter zitting van de Raad erkend dat hij daarvan geen mededeling heeft gedaan aan het College en dat hij in zoverre zijn inlichtingen- verplichting heeft geschonden. Het College was ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over bedoelde maanden in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In het verlengde daarvan was het College bevoegd de kosten van over genoemde maanden betaalde bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn met betrekking tot terugvordering gevoerde beleid. In hetgeen door appellant met betrekking tot zijn medische situatie is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het beleid of van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3764 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2008, 07/620 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Wytzes, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Voor appellant is verschenen mr. Wytzes. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant ontving vanaf 16 november 1999 tot 1 oktober 2006 (aanvullende) bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. De afdeling Controle & Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, heeft vanaf 23 februari 2006 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 maart 2006. Hieruit is gebleken dat in de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 augustus 2005 over diverse tijdvakken verspreid - voor zover in dit geding van belang - 11 autokentekens en een kenteken van een aanhanger bij de Dienst Wegverkeer (RDW) op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan tot deze voertuigen zijn geëxporteerd. Het College heeft daarin aanleiding gevonden om bij besluit van 27 oktober 2006 de bijstand van appellant over de maanden waarin de kentekenregistraties van de 11 auto’s en de aanhanger op zijn naam bij de RDW zijn beëindigd in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen tot een bedrag van € 5.340,45. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant geen informatie heeft verschaft over de verrichte werkzaamheden en daaruit verkregen inkomsten in verband met bezit en export van auto’s dan wel voertuigen met als gevolg dat het College het recht op bijstand over de betreffende maanden niet heeft kunnen vaststellen.

1.3. Bij besluit van 28 december 2006 heeft het College het tegen het besluit van 27 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.Vaststaat dat in de periode van 1 mei 2003 tot 1 september 2005 11 auto’s en een aanhanger bij de RDW, veelal gedurende korte tijd, op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan en dat appellant deze voertuigen aan derden heeft overgedragen voor export naar Irak. Appellant heeft ter zitting van de Raad erkend dat hij daarvan geen mededeling heeft gedaan aan het College en dat hij in zoverre zijn inlichtingen- verplichting heeft geschonden.

4.2. Appellant stelt zich in dit verband echter op het standpunt dat het hier gaat om in de familiesfeer verrichte activiteiten, die niet moeten worden beschouwd als op geld waardeerbare activiteiten, maar veeleer als vriendendiensten. Naar hij verder heeft aangevoerd heeft hij met deze activiteiten geen inkomsten verworven, aangezien (hooguit) zijn onkosten werden vergoed. De Raad volgt dat standpunt niet, in aanmerking genomen het aantal verrichte transacties, het aandeel van appellant daarin en de wijze waarop de export van de auto’s, waaronder begrepen het transport, was georganiseerd.

4.3. Zoals de Raad inmiddels vaker heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD6241) wordt in geval van de hiervoor aangeduide omstandigheden aannemelijk geacht dat de betrokkene inkomsten in verband met de overdracht van de auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken is weliswaar de feitelijke overdracht en/of de feitelijke export van auto’s af te leiden, en veelal ook aan wie de auto’s zijn overgedragen, maar niet is inzichtelijk gemaakt welke verkoopprijzen daarmee waren gemoeid. In dit verband is verder gebleken dat appellant van de voormelde activiteiten, de daarbij gemaakte (on)kosten en de daaruit ontvangen inkomsten geen administratie heeft bijgehouden. Aangezien controleerbare gegevens over de betreffende transacties ontbreken, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden en/of de kentekenregistraties zijn beëindigd het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld.

4.5. Het College was dan ook ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over bedoelde maanden in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. In het verlengde daarvan was het College bevoegd de kosten van over genoemde maanden betaalde bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn met betrekking tot terugvordering gevoerde beleid. In hetgeen door appellant met betrekking tot zijn medische situatie is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het beleid of van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

4.7. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman

(get.) R.L.G. Boot

MM