Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
08-3101 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en vervanging van eerder besluit. Vaststelling hoogte van het definitieve budget Inkomensdeel WWB 2005 met terugwerkende kracht. Naar het oordeel van de Raad was sprake van een zodanige fout in de berekeningswijze van het budget, dat de Staatssecretaris niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, met inachtneming van de door algemene rechtsbeginselen gegeven begrenzing, de vaststelling van het budget met terugwerkende kracht te wijzigen (zie CRvB 29 juli 2008, LJN BD8843). De Raad acht daartoe van belang dat de in het besluit van 6 oktober 2005 gehanteerde berekening van de verdeelmaatstaf “lage inkomens 15-64 jaar” afweek van de ten aanzien van het jaar 2004 en in de voorlopige vaststelling van het budget voor het jaar 2005 gehanteerde berekening. De Raad is voorts van oordeel dat de uitoefening van de bevoegdheid van de Staatssecretaris om de gemaakte fout te herstellen niet in strijd is te achten met het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 262

Uitspraak

08/3101 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 april 2008, 06/369 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Staatssecretaris)

Datum uitspraak: 6 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dunhof- Lampe, bijgestaan door J. Spruit, werkzaam bij de gemeente Almelo. De Staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en drs. P. Voogd, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 6 oktober 2005, voor zover hier van belang, heeft de Staatssecretaris op grond van artikel 69, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) aan appellant de uitkeringen voor het jaar 2005 voor het zogeheten Inkomensdeel WWB verleend. In een bij dit besluit behorende bijlage is de hoogte van het definitieve budget voor het Inkomensdeel WWB voor appellant vastgesteld op € 30.744.666,--.

1.2. In een verzamelbrief van 18 oktober 2005 heeft de Staatssecretaris aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten meegedeeld dat als gevolg van een andere berekening dan bij voorgaande budgetberekeningen van de verdeelmaatstaf “lage inkomens 15-64 jaar” de budgetten voor het inkomensdeel voor 2005 en 2006 worden aangepast.

1.3. Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de Staatssecretaris onder intrekking en ter vervanging van het besluit van 6 oktober 2005 aan appellant de uitkeringen voor het jaar 2005 voor het Inkomensdeel WWB verleend en volgens de bij dit besluit behorende bijlage de hoogte van het definitieve budget Inkomensdeel WWB voor appellant vastgesteld op € 30.680.308,--.

1.4. Bij besluit van 6 februari 2006 heeft de Staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de onderhavige financiële aanspraak ten laste van ’s Rijks kas voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 69 en 71 van de WWB. Deze bepalingen voorzien in verstrekking van jaarlijkse uitkeringen aan het college van burgemeester en wethouders van gemeenten ter bestrijding van kosten van bepaalde voorzieningen en van de door hen toegekende algemene bijstand en langdurigheidstoeslag.

4.2. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de vaststelling van het definitieve budget op 6 oktober 2005 niet berust op een kennelijke misslag of een fout, maar op een discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris zodat aan de Staatssecretaris niet de bevoegdheid toekomt om het aldus vastgestelde budget met terugwerkende kracht te wijzigen. Appellant heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat de vaststelling van het definitieve budget ingevolge artikel 71, tweede lid, van de WWB binnen vier weken na de herziening van het macrobudget had dienen plaats te vinden, in dit geval derhalve binnen vier weken na 20 september 2005, Prinsjesdag. Volgens appellant moet daarom het besluit van 25 oktober 2005 worden herroepen, zodat het besluit van 6 oktober 2005 weer zijn gelding krijgt.

4.3. Anders dan appellant heeft betoogd, was hier naar het oordeel van de Raad sprake van een zodanige fout in de berekeningswijze van het budget, dat de Staatssecretaris niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, met inachtneming van de door algemene rechtsbeginselen gegeven begrenzing, de vaststelling van het budget met terugwerkende kracht te wijzigen (zie CRvB 29 juli 2008, LJN BD8843). De Raad acht daartoe van belang dat de in het besluit van 6 oktober 2005 gehanteerde berekening van de verdeelmaatstaf “lage inkomens 15-64 jaar” afweek van de ten aanzien van het jaar 2004 en in de voorlopige vaststelling van het budget voor het jaar 2005 gehanteerde berekening. De Raad onderschrijft het standpunt van de Staatssecretaris dat dit uitdrukkelijk niet de bedoeling was, nu uit dat besluit of de daarbij behorende bijlage niet bleek dat in dit opzicht een wijziging werd aangebracht. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat het standpunt van appellant dat het besluit van 25 oktober 2005 is genomen in strijd met artikel 71, tweede lid, van de WWB geen doel treft. De in artikel 71, tweede lid, van de WWB bedoelde aanpassing van het budget als bedoeld in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder b, heeft geleid tot het besluit van 6 oktober 2005. Bij het besluit van 25 oktober 2005 zijn geen nieuwe ramingsgegevens gehanteerd en is ook geen nieuwe actualisering toegepast, maar is uitsluitend voorzien in herstel van de bij de vaststelling van het besluit van 6 oktober 2005 gemaakte fout.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat de uitoefening van de bevoegdheid van de Staatssecretaris om de gemaakte fout te herstellen niet in strijd is te achten met het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel. De Raad acht in dit verband, evenals in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 29 juli 2008, relevant dat het gaat om een besluit dat door de Staatssecretaris binnen een betrekkelijk korte termijn, en binnen de bezwaartermijn, is gecorrigeerd, waaraan de Raad nog toevoegt dat aan appellant blijkens zijn bezwaarschrift al medio oktober 2005 mondeling vanwege het ministerie is meegedeeld dat het besluit van 6 oktober 2005 op foute gronden was gebaseerd. De Raad acht verder van belang dat niet is gebleken dat appellant door de intrekking en vervanging van het besluit van 6 oktober 2005 schade van enige omvang heeft geleden - bijvoorbeeld doordat hij handelingen heeft verricht die niet meer ongedaan zijn te maken - of dat appellant door de gang van zaken anderszins onevenredig in zijn belangen is geschaad.

4.5. Ten slotte slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel evenmin. De situatie in 2004, toen bij het herstel van een foutieve vaststelling van het definitieve budget alleen ten voordele werd teruggekomen van de vastgestelde budgetten, en niet ten nadele, is reeds daarom anders dan de situatie in 2005, omdat toen pas na 10 maanden tot herstel werd overgegaan.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en N.J. van Vulpen- Grootjans en C. van Vliegen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman

(get.) R.L.G. Boot

MM