Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-2017 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten van de onderhavige besluitvorming is de Raad dan ook van oordeel dat aan het bestreden besluit niet zodanige feilen kleven dat geoordeeld moet worden dat de rechtbank ten onrechte dat besluit in stand heeft gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2017 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2008, 06/6468 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 november 2005 is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 januari 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van deze datum op minder dan 15% moet worden gesteld. Het Uwv heeft dit besluit genomen na een geneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2005 is bij besluit van 21 november 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt, naar aanleiding van de stellingen van partijen in hoger beroep, met betrekking tot de aangevallen uitspraak het volgende, waarbij de Raad aantekent dat de stellingen van partijen in hoger beroep in de kern een herhaling vormen van hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd.

3.1. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Het Uwv mocht derhalve uitgaan van de juistheid daarvan en het heeft volgens de rechtbank dusdoende op goede gronden en terecht geoordeeld dat er op de datum die in geding van belang is geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke tot uitdrukking zijn gebracht in de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank heeft eveneens overwogen dat uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt dat appellant bij het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is gezien en medisch is onderzocht, en dat daarbij tevens alle beschikbare informatie van de behandelend sector is betrokken, onder meer de door de bezwaarverzekeringsarts zelf bij de psychiater N.J. de Mooij ingewonnen rapportage, evenals de informatie van de huisarts van appellant. Voorts is volgens de rechtbank in die rapporten op begrijpelijke wijze uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat voor het aannemen van verdergaande beperkingen wegens de door appellant ondervonden klachten geen medische grond aanwezig is. Daarbij is ingegaan op de klachten van appellant met betrekking tot het tillen en buigen. Verder is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 5 februari 2007 inzichtelijk gemaakt waarom thans tot minder vergaande beperkingen is geconcludeerd dan voorheen. Voor de juistheid van het standpunt dat het verzekeringsgeneeskundige oordeel niet houdbaar is, dan wel onjuist is vertaald in de FML, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank - met inachtneming van hetgeen in 3.2 zal worden overwogen over de aanpassing van de FML in hoger beroep - en maakte die tot de zijne. Ook in hoger beroep heeft appellant geen objectieve medische gegevens overgelegd die nopen tot twijfel aan dit oordeel van de rechtbank.

3.2. Ook de stelling van appellant dat de met behulp van het CBBS geselecteerde voorbeeldfuncties medisch niet passend zijn, wegens overschrijding van zijn belastbaarheid met betrekking tot bepaalde aspecten daarvan, leidt niet tot het door hem gewenste resultaat. Appellant heeft ook in hoger beroep geen (nieuwe) medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep de FML heeft aangepast conform de geldende werkinstructie, zonder dat dit heeft geleid tot een inhoudelijke wijziging van die FML. Naar aanleiding van die aanpassing zijn de geduide functies door de bezwaararbeidsdeskundige handmatig onderzocht. Functies die daarvoor in aanmerking kwamen zijn met betrekking tot door appellant in hoger beroep genoemde belastbaarheidsaspecten, waaronder in het bijzonder de aspecten onder 4.14 en 5.6 door de bezwaararbeidsdeskundige besproken met de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige een functie (sbc-code 11174) laten vervallen. Dit heeft volgens het Uwv, en ook de Raad is dat oordeel toegedaan, geen gevolgen voor de uitkomst van de in geding zijnde schatting.

Appellant heeft betoogd dat de functie met sbc-code 111332 medisch niet passend is vanwege de te grote tilbelasting. Het Uwv bestrijdt deze opvatting stellend dat die tilbelasting over twee personen kan worden verdeeld en dat er dus geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid. De Raad overweegt dat, wat er ook zij van die standpunten, het betoog van appellant niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit reeds omdat, als die functie afvalt de schatting mede wordt gedragen door de zogenoemde reservefunctie sbc-code 111010. Dit heeft geen gevolgen voor de mediaan en evenmin voor de uitkomst van de in geding zijnde besluitvorming. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten van de onderhavige besluitvorming is de Raad dan ook van oordeel dat aan het bestreden besluit niet zodanige feilen kleven dat geoordeeld moet worden dat de rechtbank ten onrechte dat besluit in stand heeft gelaten.

3.3. Gezien hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) C. de Blaeij.

EK