Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
09-2306 ZW + 09-2307 ZW + 09-3712 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Geen recht meer op ziekengeld 2) Terugvordering ZW-uitkering. Op grond van de tussen partijen gewezen uitspraak van 30 januari 2008 (06/6297 WW) staat vast dat het Uwv de aan appellant met ingang van 19 augustus 2004 toegekende loongerelateerde werkloosheidsuitkering bij besluit van 6 december 2005 terecht met terugwerkende kracht, namelijk met ingang van 19 augustus 2004, heeft herzien in een kortdurende uitkering en dat appellant uit dien hoofde met ingang van 19 februari 2005 geen recht meer had op een werkloosheidsuitkering. In aanmerking genomen dat appellant die werkloosheidsuitkering vanaf 19 februari 2005 in strijd met de wettelijke bepalingen ontving, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant sinds deze datum niet ingevolge artikel 7 van de Ziektewet als werknemer in de zin van deze wet kon worden beschouwd. Het Uwv heeft mitsdien terecht het standpunt ingenomen dat appellant met ingang van 3 november 2005 geen recht had op ziekengelduitkering. De vraag of de beslissing tot weigering van ziekengeld op goede gronden met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden beantwoordt de Raad evenals de rechtbank bevestigend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 8 april 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 3) en daarbij, het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2006 gegrond verklarend, de terugvordering beperkt tot hetgeen is betaald over de periode van 2 december 2005 tot 19 februari 2006, zijnde een bedrag van € 3.014,62. Nu met dit besluit niet volledig aan het beroep wordt tegemoet gekomen wordt het beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 april 2009. Het besluit van het Uwv om de terugvordering te beperken tot de periode van 2 december 2005 tot 19 februari 2006 kan de toetsing van de Raad doorstaan. Geen sprake van dringende redenen.

Wetsverwijzingen
Ziektewet, geldigheid: 2009-10-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2306 ZW, 09/2307 ZW, 09/3712 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 maart 2009, 06/7594 en 06/9910 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het navolgende.

2.1. Het Uwv heeft bij besluit van 9 december 2005 aan appellant, die zich met ingang van 3 november 2005 vanuit een werkloosheidssituatie had ziek gemeld, met ingang van deze datum een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.

2.2. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per 3 november 2005 geen recht had op ziekengeld.

2.3. Bij besluit van 18 augustus 2006 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard onder overweging dat appellant op het tijdstip dat hij ziek werd, 3 november 2005, geen recht had op een werkloosheidsuitkering en niet verzekerd was voor de Ziektewet.

2.4. Bij besluit van 14 september 2006 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 3 november 2005 tot 19 februari 2006 onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 4.140,64 van hem teruggevorderd.

2.5. Bij besluit van 29 november 2006 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2, onder overweging dat eerst vanaf 2 december 2005 terugvordering van ziekengeld kan plaats vinden, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv terzake van de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

4. De Raad heeft het volgende overwogen.

4.1. Op grond van de tussen partijen gewezen uitspraak van 30 januari 2008 (06/6297 WW) staat vast dat het Uwv de aan appellant met ingang van 19 augustus 2004 toegekende loongerelateerde werkloosheidsuitkering bij besluit van 6 december 2005 terecht met terugwerkende kracht, namelijk met ingang van 19 augustus 2004, heeft herzien in een kortdurende uitkering en dat appellant uit dien hoofde met ingang van 19 februari 2005 geen recht meer had op een werkloosheidsuitkering. In aanmerking genomen dat appellant die werkloosheidsuitkering vanaf 19 februari 2005 in strijd met de wettelijke bepalingen ontving, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant sinds deze datum niet ingevolge artikel 7 van de Ziektewet als werknemer in de zin van deze wet kon worden beschouwd. Het Uwv heeft mitsdien terecht het standpunt ingenomen dat appellant met ingang van 3 november 2005 geen recht had op ziekengelduitkering.

4.2. De vraag of de beslissing tot weigering van ziekengeld op goede gronden met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden beantwoordt de Raad evenals de rechtbank bevestigend. Na kennisneming van het besluit van het Uwv van 6 december 2005 wist appellant dat hij na 18 februari 2005 geen recht meer had op een werkloosheidsuitkering. Gelet op de eerder aan hem gerichte besluiten van het Uwv van 8 juli 2005 en 11 oktober 2005, waarbij de aan appellant toegekende werkloosheidsuitkering in verband met ziekte op 13 juni 2005 werd beëindigd respectievelijk na zijn herstel met ingang van 7 oktober 2005 werd hervat, moet appellant ook het verband tussen het ontvangen van een werkloosheidsuitkering en een aanspraak op ziekengelduitkering hebben begrepen. Het moet appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hij bij het in overweging 2.1 vermelde besluit van 9 december 2005 ten onrechte werd beschouwd als werkloze die vanaf 3 november 2005 recht had op ziekengeld. Mitsdien acht de Raad de intrekking van de ziekengelduitkering met terugwerkende kracht tot 3 november 2005 in overeenstemming met het beleid zoals dat is neergelegd in de "Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen".

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4.4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 8 april 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 3) en daarbij, het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2006 gegrond verklarend, de terugvordering beperkt tot hetgeen is betaald over de periode van 2 december 2005 tot 19 februari 2006, zijnde een bedrag van € 3.014,62. Nu met dit besluit niet volledig aan het beroep wordt tegemoet gekomen wordt het beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 april 2009.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat aan appellant over de periode van 3 november 2005 tot 19 februari 2006 onverschuldigd ziekengelduitkering is betaald. Het besluit van het Uwv om de terugvordering te beperken tot de periode van 2 december 2005 tot 19 februari 2006 kan de toetsing van de Raad doorstaan.

4.6. Voor zover de verwijzing van appellant naar zijn financiële situatie moet worden opgevat als een beroep op de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Ziektewet, verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak. Daarin is vastgesteld dat een dringende reden volgens de wetsgeschiedenis slechts gelegen kan zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen van de terugvordering voor betrokkene. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

4.7. Appellants subsidiaire grief dat de terugvordering beperkt dient te blijven tot het netto bedrag van de over voormelde periode betaalde uitkering kan de Raad ook niet honoreren. Appellant heeft in dit verband gewezen op jurisprudentie van de Raad inzake de Wet werk en bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Raad echter vindt bij een uitkering als de onderhavige terugvordering plaats van bruto te veel betaalde bedragen, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten, zoals het geval is met de in 2005 gelegen periode. Dit is ook het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering (Regeling van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 75 zoals nadien gewijzigd). Volgens deze Beleidsregel kan met terugbetaling van het netto bedrag worden volstaan, als wordt terugbetaald binnen hetzelfde lopende belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond. Wat betreft de in 2006 gelegen periode stelt de Raad vast dat op verzoek van appellant de invordering van de uitkering is opgeschort, zodat het niet aan het Uwv is te verwijten dat appellant niet is overgegaan tot terugbetaling in datzelfde kalenderjaar.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit van 8 april 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en P.J. Jansen en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

TM