Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-4579 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door het Uwv ter berekening van appellantes verdienvermogen geselecteerde functies van productiemedewerker machinaal inpakken en medewerker beddencentrale in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten. De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook overigens heeft de Raad geen termen aanwezig geacht om de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4579 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 juni 2008, 07/4844 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een arbeidskundige rapportage.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2009. Namens appellante is verschenen mr. Arentz-Veldkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, die uitgevallen was uit haar werk als bijstandsmaatschappelijk werkster bij de Gemeentelijke Sociale Dienst van [plaatsnaam], ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2006 die uitkering met ingang van 16 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 12 oktober 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers en een arbeidskundig onderzoek, verricht door de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg.

1.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 augustus 2007 het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht en het verzoek om schadevergoeding van appellante afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per de in geding zijnde datum. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante op die datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid. Met betrekking tot de arbeidskundige basis van de onderhavige schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat onduidelijk is of appellante, gelet op haar beperkingen, de werkzaamheden verbonden aan de haar voorgehouden functie van keukenhulp, medewerker afwaskeuken (sbc-code 111331) kan verrichten. Deze functie kan daarom volgens de rechtbank niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd, waaruit volgt dat er onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 11 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) wederom het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juni 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een nieuw arbeidskundig onderzoek, verricht door de bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en appellantes verzoek om schadevergoeding wederom afgewezen.

2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op haar onder 1.1 genoemde uitspraak, thans de vaststelling van de medische beperkingen van appellante niet meer in geschil. Geoordeeld moet worden dat appellante op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid, zoals vastgelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 januari 2006, aldus de rechtbank.

2.2. De arbeidskundige component van het bestreden besluit kon de toetsing van de rechtbank thans doorstaan. Zij is van oordeel dat de daaromtrent door appellante aangevoerde gronden niet slagen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg van 4 januari 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen van 21 april 2008.

3. In hoger beroep keert appellante zich tegen de aangevallen uitspraak met gronden gelijk aan die welke zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat die uitspraak bevestigd moet worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door het Uwv ter berekening van appellantes verdienvermogen geselecteerde functies van productiemedewerker machinaal inpakken (sbc-code 111175) en medewerker beddencentrale (sbc-code 111333) in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten. De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Hij overweegt daartoe dat de primaire arbeidsdeskundige C. Luiten blijkens zijn rapportage van 14 juni 2006 appellante, gelet op de voor haar geldende FML, vanwege werken in een te grote groep onder meer niet geschikt achtte voor de functies van assemblagemedewerker en productiemedewerker. Daaraan staat niet in de weg dat in de bezwaarfase van de besluitvorming de bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg blijkens haar rapportage van 10 oktober 2006 de tot de sbc-code 111175 behorende functies van productiemedewerker machinaal inpakker voor appellante geschikt achtte en deze mede ten grondslag legde aan de onderhavige schatting. Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidsmogelijkhedenlijst van 1 juni 2006 behoren tot de sbc-code 111175 de functies productiemedewerker/raper (functienummers 0118-0037-006 en 0118-0037-007) en assemblagemedewerker (funtienummers 2571-0488-007 en 2571-0488-006). Zoals de bezwaararbeidsdeskundige B. Altena in zijn rapportage van 24 september 2008 opmerkt komen binnen het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem verschillende functies binnen diverse sbc-codes voor met gelijksoortige functienamen. Zo komt de functie assemblagemedewerker in diverse varianten voor. De Raad is van oordeel dat Luiten terecht één functie van assemblagemedewerker vanwege het werken in een te grote groep niet aan appellante heeft voorgehouden, maar dat hij de functies assemblagemedewerker met de nummers 2571-0488-007/006, als in medisch opzicht passend, wel mede aan de schatting ten grondslag mocht leggen. De Raad volgt daarbij, onder verwijzing naar de eerdergenoemde rapportage van Altena, niet de stelling van appellante dat het werken in een vrij grote hal met vijf werkplekken impliceert dat er gewerkt moet worden in een grote groep. Met betrekking tot de functie van medewerker beddencentrale oordeelt de Raad dat de grond van appellante dat er in die functie sprake is van een persoonlijke invulling van die functie en dat daarin geen sprake is van werken binnen een klein vertrouwd groepje mensen dat niet aan verandering onderhevig is en waarbij ieder zijn eigen taken heeft, eveneens niet slaagt. Voor de gronden verwijst de Raad wederom naar de bovengenoemde rapportage van Altena, waarmee de Raad zich kan verenigen. Ook overigens heeft de Raad geen termen aanwezig geacht om de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht in twijfel te trekken.

5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) C. de Blaeij.

TM