Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-780 WAO + 08-781 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/780 WAO + 08/781 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 december 2007, 06/1127 en 06/1422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Voor appellante is verschenen H.J.A. Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 april 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 februari 2006 alsnog gegrond verklaard en het besluit van 10 augustus 2006 in die zin gewijzigd dat de

WAO-uitkering van appellante wordt ingetrokken met ingang van 11 september 2006.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en beslist over schadevergoeding, proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 7 december 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit en heeft daartoe verwezen naar het oordeel van de door haar benoemde deskundige, psychiater dr. L. Timmerman. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5. In hoger beroep heeft appellante in wezen haar in eerste aanleg naar voren gebrachte beroepsgronden herhaald. Zij voert aan, kort weergegeven, dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij in aanmerking komt voor een zogenoemde urenbeperking. Appellante heeft daartoe onder meer gewezen op een op haar verzoek in eerste aanleg door dr. H.L.S.M. Busard uitgebracht rapport en op een door het CWI afgegeven indicatie in het kader van de Wet sociale werkvoorziening. Zij voert voorts aan dat de functie van administratief medewerker (beginnend) onder sbc-code 315090 haar ten onrechte is geduid, omdat de door haar in Duitsland gevolgde LHNO-opleiding en de opleiding tot gezinsverzorgende niet gelijkwaardig zijn aan het voor die functie vereiste VMBO-diploma.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad stelt vast dat appellante zich tegen de aangevallen uitspraak keert, voor zover daarbij haar beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

6.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in vaste rechtspraak van de Raad besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad wijst bijvoorbeeld op zijn uitspraak van 11 maart 2009, LJN BH7761. Net als de rechtbank ziet de Raad geen feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. De Raad kan zich dan ook vinden in het oordeel van de rechtbank dat de deskundige Timmerman kan worden gevolgd in de conclusie dat de in de FML neergelegde beperkingen de belastbaarheid van appellante juist weergeven.

6.3. De door appellante overgelegde rapportage van Busard geeft geen grond voor een ander oordeel. De Raad stelt vast dat Busard niet tot een andere diagnose komt dan de verzekeringsartsen van het Uwv en Timmerman, namelijk een chronisch vermoeidheidssyndroom, dan wel, in psychiatrische zin, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Busard acht appellante evenwel verdergaand beperkt dan de verzekeringsartsen van het Uwv en Timmerman. Hetgeen Busard daartoe in zijn rapport heeft overwogen voldoet naar het oordeel van de Raad echter niet aan de wettelijke maatstaven om te komen tot de vaststelling dat sprake is van beperkingen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. De Raad heeft eerder in deze zin geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 maart 2007, LJN BA2096.

6.4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2007, LJN BA1966, evenzeer terecht overwogen dat de zogenoemde WSW-indicatie geen rechtstreekse betekenis heeft voor appellantes aanspraak op een WAO-uitkering.

6.5. De Raad is voorts van oordeel dat het hoger beroep van appellante, voor zover gericht tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, evenmin kan slagen. Het Uwv heeft aan de schatting ten grondslag gelegd dat appellante geschikt is voor de functies van inpakker, administratief medewerker (beginnend) en produktiemedewerker textiel, geen kleding. Voorts is, als zogenoemde reservefunctie, de functie van receptionist, baliemedewerker geschikt bevonden voor appellante. De Raad kan in het midden laten of de functie van administratief medewerker (beginnend) terecht aan appellante is geduid als voorbeeld van algemeen geaccepteerde arbeid. Zo deze functie niet geschikt moet worden geacht, omdat appellante niet beschikt over een VMBO-diploma, kan de schatting niettemin stand houden doordat deze mede komt te rusten op de geschiktheid van appellante voor de functie van receptionist, baliemedewerker.

6.6. De Raad heeft, uitgaande van een juiste medische grondslag van het bestreden besluit, geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de boven genoemde functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zouden zijn.

7. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, kan derhalve worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen reden een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM