Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
07-6789 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand buiten behandeling gesteld. Geen gegevens overlegd. De Raad stelt vast dat appellante de betreffende gegevens niet binnen de bij de brief van 6 september 2006 gestelde termijn heeft versterkt. Gesteld noch gebleken is dat appellante niet binnen die termijn redelijkerwijs over die gegevens de beschikking kon krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6789 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 november 2007, 07/134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 22 juni 2009 heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Dieters heeft overgenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 08/1109 en 09/799, plaatsgevonden op 18 augustus 2009, waar appellante niet is verschenen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante heeft bij faxberichten van 12 juni 2006, 15 juni 2006 en 5 juli 2006 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtshulp en voor de kosten van griffierecht.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellante bij brief van 10 augustus 2006 verzocht om uiterlijk 24 augustus 2006 nadere gegevens te verstrekken. Bij brief van 6 september 2006 heeft het College appellante meegedeeld dat de bij de brief van 10 augustus 2006 gevraagde gegevens niet zijn verstrekt en haar in de gelegenheid gesteld de betreffende gegevens uiterlijk 20 september 2006 alsnog aan te leveren. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen indien de gevraagde gegevens niet tijdig worden verstrekt.

1.3. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het College onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.4. Bij besluit van 5 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat aan appellante een Inlichtingenformulier bijzondere bijstand (hierna: Inlichtingenformulier) is uitgereikt en dat daarop van de zijde van het College onder meer is aangegeven dat appellante bewijsstukken van haar inkomsten en afschriften van haar bankrekeningen dient in te leveren. Bij brieven van 10 augustus 2006 en 6 september 2006 heeft het College appellante onder meer gevraagd om de in het Inlichtingenformulier gevraagde bewijsstukken over te leggen. Niet in geschil is dat de in het Inlichtingenformulier gevraagde bewijsstukken van de inkomsten van appellante en de afschriften van haar bankrekeningen nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Het College heeft dan ook terecht om die gegevens verzocht. De Raad stelt vast dat appellante de betreffende gegevens niet binnen de bij de brief van 6 september 2006 gestelde termijn heeft versterkt. Gesteld noch gebleken is dat appellante niet binnen die termijn redelijkerwijs over die gegevens de beschikking kon krijgen.

4.3. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat appellante bij de brief van het College van 6 september 2006 de gelegenheid is gegeven de aanvraag aan te vullen. Daaraan staat niet in de weg dat appellante, zoals zij heeft gesteld, op 22 augustus 2006 een verzoek aan het College heeft gedaan om uitstel te verlenen indien de op dat moment ingeleverde stukken niet voldoende waren, reeds omdat appellante deze stelling, die door het College is betwist, niet aannemelijk heeft gemaakt. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij in de periode vanaf 6 september tot en met 10 oktober 2006 (de datum van het primaire besluit) een verzoek om uitstel heeft ingediend.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College bevoegd was om de onder 1.1 bedoelde aanvraag buiten behandeling te stellen. Voorts kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK