Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-6068 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Appellante heeft in hoger beroep evenmin als in beroep enig medisch stuk ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat zij in medisch opzicht per 30 mei 2007 meer was beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Van een medische noodzaak of medische indicatie om overdag rustmomenten in te bouwen is de Raad evenwel niet kunnen blijken. Het door de primaire verzekeringsarts uitgebreid genoteerde dagverhaal van appellante geeft overigens geen handvat voor het - naast de in de FML wel opgenomen beperkingen - op energetische of andere gronden een urenbeperking aan te nemen. Van het bestaan van allergische klachten van appellante vóór de datum in geding is de Raad uit de stukken niet kunnen blijken. De Raad ziet in het verhandelde ter hoorzitting onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts nadien (nog voor het besluit op bezwaar) had behoren te besluiten appellante op te roepen voor zijn spreekuur om haar te zien, horen en onderzoeken. Appellante heeft nog gesteld dat onjuist is dat de primaire verzekeringsarts minder beperkingen in de FML heeft opgenomen om haar te activeren. De Raad volgt appellante niet in die stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6068 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 september 2008, 07/4559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2009.

Voor appellante is verschenen mr. Van Berkel, voor het Uwv J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 september 2007 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 29 maart 2007 waarbij het de (laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende) WAO-uitkering per 30 mei 2007 heeft ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het evenvermelde besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

Er zijn geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven, mede omdat appellante dienaangaande geen medische stukken heeft overgelegd. Het Uwv mocht derhalve uitgaan van de juistheid van het resultaat van dat onderzoek en heeft dusdoende op goede gronden en terecht geoordeeld dat per de datum in geding geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke zijn neergelegd in de FML. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat:

- de primaire verzekeringsarts appellante op het spreekuur heeft gezien en lichamelijk heeft onderzocht,

- uit de vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het feit dat de bezwaarverzekeringsarts haar niet lichamelijk heeft onderzocht niet afdoet aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door de primaire verzekeringsarts,

- in de verzekeringsgeneeskundige rapporten op begrijpelijke wijze uitvoerig gemotiveerd is uiteengezet dat voor het aannemen van verdergaande beperkingen wegens de door appellante ondervonden klachten geen medische grond aanwezig is,

- daarbij genoegzaam is ingegaan op haar klachten over ME/CVS (chronische vermoeidheid),

- het Uwv ter zitting heeft opgemerkt dat de uit de allergische klachten van appellante voortvloeiende beperkingen zijn vastgelegd in de FML en

- verder inzichtelijk is gemaakt waarom tot minder beperkingen is geconcludeerd dan voorheen (en op basis waarvan aan haar van 11 februari 1998 tot en met 15 februari 1999 een WAO-uitkering naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid toegekend is geweest).

Voorts heeft de rechtbank wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv de schatting niet heeft mogen baseren op de drie daaraan ten grondslag gelegde functies. Daarbij is de rechtbank ingegaan op de grieven van appellante wat duwen en trekken alsook de actualiteit van een van de functies in sbc-code 267060 (meer dan 18 maanden oud) betreft.

3. In haar hoger beroepschrift heeft appellante hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank zonder in te gaan op de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak waarmee zij het niet eens is. Eerst ter zitting heeft appellante alsnog haar bezwaren tegen de aangevallen uitspraak in de vorm van een toelichting naar voren gebracht, wat moet worden geacht op gespannen voet met de goede procesorde te staan.

4.1. De Raad kan zich vinden in de aangevallen uitspraak en heeft daarbij nog het volgende in aanmerking genomen.

4.2.1. Appellante heeft in hoger beroep evenmin als in beroep enig medisch stuk ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat zij in medisch opzicht per 30 mei 2007 meer was beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Appellante kan zich er niet mee verenigen dat in de door de primaire verzekeringsarts op 13 oktober 2006 vastgestelde (op 16 oktober 2006 gedateerde) FML, anders dan tot dan, geen urenbeperking meer is opgenomen, omdat in haar medische situatie geen verandering is gekomen; in dit verband heeft appellante erop gewezen dat haar dagverhaal beperkt is, ook al omdat zij overdag moet rusten. Van een medische noodzaak of medische indicatie om overdag rustmomenten in te bouwen is de Raad evenwel niet kunnen blijken. Het door de primaire verzekeringsarts uitgebreid genoteerde dagverhaal van appellante geeft overigens geen handvat voor het - naast de in de FML wel opgenomen beperkingen - op energetische of andere gronden een urenbeperking aan te nemen.

4.2.2. Van het bestaan van allergische klachten van appellante vóór de datum in geding is de Raad uit de stukken niet kunnen blijken. In de door appellante ingevulde en op 26 september 2006 gedateerde vragenlijst noch tijdens het spreekuur van primaire verzekeringsarts op 13 oktober 2006 - afgaande op het uitgebreide rapport van die arts van 13 oktober 2006 - heeft appellante (of haar echtgenoot die haar tijdens het spreekuur heeft vergezeld) melding gemaakt van enige allergische aandoening. Eerst ter hoorzitting heeft appellante melding gemaakt van hooikoorts, astmatische bronchitis en gevoeligheid voor eczeem. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen dat de door appellante genoemde hooikoorts geen grote consequenties in het dagelijks leven en werken heeft en daarom geen aanleiding gezien op dit punt de FML aan te scherpen. Appellante heeft haar standpunt dat zij op de datum in geding allergieën had niet met enig medisch stuk onderbouwd en evenmin gespecificeerd. De conclusie dat die allergieën (toen) dusdanig van ernst en omvang waren dat ten onrechte in de FML niet een of meer beperkingen zijn aangenomen, is dan ook niet te trekken. De Raad honoreert deze grief niet en tekent daarbij nog het volgende aan. Voor de overweging van de rechtbank dat het Uwv ter zitting heeft opgemerkt dat de uit de allergische klachten van appellante voortvloeiende beperkingen zijn vastgelegd in de FML, is in het proces-verbaal van die zitting noch in andere stukken steun te vinden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.2 over de allergische klachten is overwogen, ziet de Raad in deze overweging van de rechtbank op zichzelf onvoldoende aanleiding om tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan.

4.2.3. Wat het ontbreken van een bezwaarverzekeringsarts ter hoorzitting betreft merkt de Raad op dat het Uwv in de brief van 10 augustus 2007 waarbij zij is uitgenodigd voor de hoorzitting op 24 augustus 2007 onmiskenbaar (in vetgedrukte letters) heeft meegedeeld dat er ter hoorzitting geen bezwaarverzekeringsarts aanwezig zal zijn. Appellante heeft op die mededeling niet gereageerd en eerst ter hoorzitting aangegeven het daarmee niet eens te zijn. De Raad ziet in het verhandelde ter hoorzitting onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de bezwaarverzekeringsarts nadien (nog voor het besluit op bezwaar) had behoren te besluiten appellante op te roepen voor zijn spreekuur om haar te zien, horen en onderzoeken.

4.2.4. Wat de door appellante ter hoorzitting overgelegde FML met daarop haar aantekeningen dat en waarom zij van mening is meer beperkt te zijn betreft, overweegt de Raad dat appellante daarbij is uitgegaan van de klachten zoals zij die met name op grond van haar chronische vermoeidheid beleeft. Van enige onderbouwing met medisch objectiveerbare stukken is, zoals onder 4.2.1 reeds vastgesteld, de Raad niet kunnen blijken, zodat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat zij in medisch opzicht meer is beperkt dan in de FML aangegeven.

4.2.5. Appellante heeft nog gesteld dat onjuist is dat de primaire verzekeringsarts minder beperkingen in de FML heeft opgenomen om haar te activeren. De Raad volgt appellante niet in die stelling. Die arts heeft in zijn verslag van 13 oktober 2008 vermeld dat in de FML op sommige punten de belastbaarheid hoger is aangegeven dan door appellante als grens is aangegeven. Het onder 4.2.4 overwogene brengt met zich dat de door appellante op grond van haar subjectieve klachtenbeleving getrokken grens niet het te dezen te hanteren uitgangspunt kan zijn.

4.2.6. Ter zitting van de Raad heeft appellante haar grief dat een van de aan de schatting ten grondslag liggende functies ten tijde in geding niet actueel was, laten vallen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor vergoeding van proceskosten zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

TM