Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08-1319 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na eerdere uitspraak van de rechtbank is nieuw besluit genomen, waarin (in het kader van een nieuw systeem van functiebeschrijvingen en -waardering) aan betrokkene de functie van adviseur middelen A is toegewezen. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd. De Raad gaat voorbij aan de stellingen van appellanten, omdat deze punten betreffen waarover de rechtbank reeds onherroepelijk heeft beslist bij zijn eerdere uitspraak. Appellanten hebben niet op juiste wijze uitvoering gegeven aan deze uitspraak. Bevestiging aangevallen uitspraak. Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1319 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie [naam provincie] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2008, 06/9295 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellanten

Datum uitspraak: 1 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2009. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Rigtholt, werkzaam bij de provincie [naam provincie] (hierna: provincie). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. drs. C.J.M. Scheen, regiojurist bij CNV Publieke Zaak.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is werkzaam bij de afdeling [naam afdeling] van de provincie, tot 1 juli 2004 in de functie van (beleids)medewerker communicatie, gewaardeerd op schaal 11.

1.2. Met ingang van 1 juli 2004 is bij de provincie een nieuw systeem van functiebe-schrijvingen en -waarderingen, genaamd [naam systeem], ingevoerd. In dat kader zijn alle functies binnen de provincie opnieuw beschreven en gewaardeerd. Bij besluit van

26 november 2004, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 6 oktober 2005, is aan betrokkene de functie van adviseur middelen A (hierna: adviseur A), gewaardeerd op schaal 10, toegewezen.

1.3. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 juni 2006, 05/8187, gerectificeerd bij uitspraak van 5 juli 2006, het besluit van 6 oktober 2005 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat de taken zoals opgenomen in de toegewezen functie adviseur A aansluiten bij de taken die betrokkene in zijn oude functie verrichtte. Derhalve is niet gebleken dat betrokkene in redelijkheid in de functie van adviseur A kon worden geplaatst. Doorslaggevend heeft de rechtbank daarbij geacht dat het functieonderdeel uit de oude functie aangeduid als “opstellen, regisseren en evalueren van het communicatiebeleid van het project 750 ha natuur en recreatie” niet slechts zag op beleidsuitvoerende taken, zoals bedoeld in de functie adviseur A, doch evenzeer op beleidsontwikkeling. Het standpunt van appellanten, dat dit functieonderdeel als een misslag in de oude functiebeschrijving moet worden gezien, wordt door de rechtbank niet gevolgd, aangezien appellanten nooit aanleiding hebben gezien dit bestanddeel aan te passen en bovendien hebben verklaard dat geen sprake was van achterstallig functieonderhoud. Appellanten hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

1.4. Naar aanleiding van deze uitspraak hebben appellanten bij nieuw besluit op bezwaar van 26 september 2006 het bezwaarschrift van betrokkene van 22 december 2004 wederom ongegrond verklaard en het primair besluit van 26 november 2004, strekkend tot toewijzing van de functie adviseur A, gehandhaafd. Daartoe is onder meer overwogen dat in de praktijk is gebleken dat betrokkene zich in het verleden nooit heeft bezig-gehouden met het opstellen, regisseren en evalueren van het communicatiebeleid op hoofdlijnen. Er is hier sprake van een evidente misslag. Aangezien herstel van deze misslag niet zou hebben geleid tot een gewijzigde waardering, was functieonderhoud niet aan de orde, aldus appellanten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit op bezwaar van 26 september 2006 vernietigd en appellanten opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat appellanten bij het opstellen van de nieuwe functiebeschrijvingen de oude functiebeschrijvingen als uit-gangspunt hebben genomen. Voorts staat gelet op de eerdere uitspraak van de rechtbank, waartegen appellanten geen hoger beroep hebben ingesteld, in rechte vast dat betrokkene zich in zijn oude functie van beleidsmedewerker communicatie bezighield met beleids-ontwikkeling en dat het omstreden functieonderdeel door betrokkene werd uitgevoerd en niet als een misslag mag worden beschouwd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad gaat voorbij aan de stellingen van appellanten, neergelegd in het aanvullend beroepschrift van 8 mei 2008. Die stellingen, erop neerkomend - zoals ook in het besluit van 26 september 2006 opgenomen - dat wel degelijk sprake was van een misslag en dat er geen reden was om tot functieonderhoud over te gaan, betreffen immers punten waarover de rechtbank reeds onherroepelijk heeft beslist bij zijn eerdere uitspraak van 26 juni/5 juli 2006. Appellanten hebben niet op juiste wijze uitvoering gegeven aan deze uitspraak.

3.2. De Raad gaat eveneens voorbij aan de nieuwe, in het besluit van 26 september 2006 geheel ontbrekende, stellingen die appellanten, in strijd met een goede procesorde, eerst ter zitting naar voren hebben gebracht, en waarmee wordt beoogd langs andere weg te onderbouwen, waarom toewijzing van de functie adviseur A meer in de rede ligt dan die van adviseur middelen 2 (hierna: adviseur 2).

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt wat betreft de gegrondverklaring van het beroep, de vernietiging van het bestreden besluit van 26 september 2006 en de bepalingen over griffierecht en proceskosten in eerste aanleg. Mede gelet op het aanzienlijk tijdsverloop sinds het primaire besluit en de gerechtvaardigde wens van betrokkene dat het geschil thans zo mogelijk finaal wordt beslecht, heeft de Raad zich beraden op de vraag of hij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak kan voorzien met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover appellanten daarbij is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende overwogen.

3.4. In het primaire besluit van 26 november 2004 is aangegeven, dat voor de zwaardere, op schaal 11 gewaardeerde, functie van adviseur 2 andere kenmerkende werkzaamheden gelden dan voor die van adviseur A. Met name wordt daarbij - voor zover hier van belang - genoemd “het ontwikkelen, doen uitvoeren en evalueren van beleid op een provinciaal beleidsterrein, afgestemd op interne en externe ontwikkelingen”. Aangezien de werk-zaamheden van betrokkene niet betreffen het ontwikkelen, doen uitvoeren en evalueren van beleid, is de functiebeschrijving van adviseur 2 minder van toepassing, aldus de toelichting op het primaire besluit.

3.5. Nu, zoals hiervoor is overwogen, in rechte vaststaat dat betrokkene zich wel bezig-hield met de ontwikkeling, regie en evaluatie van (communicatie)beleid, kan naar het oordeel van de Raad geen andere conclusie worden getrokken dan dat de functie-beschrijving adviseur 2 meer van toepassing is dan de toegewezen functie van adviseur A, en dat appellanten niet in redelijkheid tot toewijzing van laatstgenoemde functie hebben kunnen besluiten.

Aangezien rechtens geen keuze uit meerdere mogelijkheden resteert, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien op de wijze als onder III is aangegeven.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellanten op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het betreft de opdracht aan appellanten om een nieuw besluit te nemen;

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;

Wijst aan betrokkene met ingang van 1 juli 2004 de functie van adviseur middelen 2 toe en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 26 september 2006;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellanten een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD