Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
08-6534 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad overweegt daartoe met betrekking tot de door appellant geclaimde psychische klachten dat hij zich kan vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep. Met betrekking tot de grief van appellant dat een urenbeperking geïndiceerd is, overweegt de Raad dat Van der Stoep zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant aan zijn linker voet en de linker enkel en dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat de behandelend sector ten aanzien van appellant heeft vastgesteld dat er tevens sprake is van een chronisch pijnsyndroom. Van der Stoep heeft betoogd dat er uit preventieve overwegingen evenmin een indicatie is om een urenrestrictie toe te passen. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. De aan appellant voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten dienen voor appellant in medisch opzicht als passend te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6534 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2008, 08/744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 23 december 2008 heeft mr. I. Baggerman-Schepernisse, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Zij heeft namens appellant de gronden van het beroep aangevuld en medische stukken in geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarin verwezen wordt naar bijgevoegde rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Hierop is namens appellant gereageerd, waartegen het Uwv bij schrijven van 16 april 2009, met bijlage, verweer heeft gevoerd.

Namens appellant zijn bij brief van 5 augustus 2009 nog enkele medische stukken in geding gebracht, waarop is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2009, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Baggerman-Schepernisse, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 28 oktober 2005 vanwege een fractuur van het linker hielbot uitgevallen voor zijn werkzaamheden als scherm/plafond installateur voor 48,85 uur per week.

1.2. In juli 2007 heeft er een medisch onderzoek plaatsgevonden ter voorbereiding van een besluit inzake het al dan niet toekennen van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De arts A.J. Colijn heeft appellant, op grond van eigen onderzoek en na weging van medisch informatie van de chirurg-traumatoloog dr. M.J. Heetveld, als gevolg van een calcaneusfractuur en persisterende pijnklachten beperkt geacht ten aanzien van de duurbelasting van de linker voet. Colijn heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 juli 2007. De arbeidsdeskundige R. Ham heeft vervolgens op grond van een theoretische schatting vastgesteld dat er voor appellant een loonverlies resteerde van 26,1%. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 18 juli 2007 medegedeeld dat er voor hem ingaande 26 oktober 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2. Het tegen het besluit van 18 juli 2007 gemaakte bezwaar van appellant is door het Uwv, na medische en arbeidskundige heroverweging, ongegrond verklaard bij besluit van 8 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit).

De bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep heeft na weging van informatie van de behandelend revalidatiearts dr. P. Hoogvliet van 22 augustus 2007 en het bijwonen van de hoorzitting geen reden gezien om af te wijken van het oordeel van Colijn ten aanzien van de belastbaarheid voor appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft wel vastgesteld dat de FML van 9 juli 2007 op het item ‘tillen of dragen’ niet juist is ingevuld, waarna hij de FML heeft gecorrigeerd. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts een toelichting gegeven bij het item ‘zitten’. De bezwaararbeidsdeskundige J. Huisman heeft uitgaande van de gecorrigeerde FML van 30 november 2007 vastgesteld dat één van de voor appellant geduide - maar niet aan de schatting ten grondslag gelegde - functies niet langer passend is voor appellant, maar dat appellant ongewijzigd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is te beschouwen in het kader van de Wet WIA.

3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat de medische grondslag van het bestreden besluit op zorgvuldig onderzoek is gebaseerd. De rechtbank heeft voorts in hetgeen appellant in beroep heeft gesteld en in de overgelegde medische verklaringen van physician assistent M. Tuinhout en orthopedisch chirurg

dr. J.W.K. Louwerens van 26 mei en 25 juni 2008, - waarop door de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep bij rapportage van 16 augustus 2008 is gereageerd - geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat het Uwv zijn belastbaarheid ten aanzien van de linker voet- en enkelklachten, de pijnklachten en het gebruik van veiligheidsschoenen onjuist heeft ingeschat. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Van der Stoep in zijn rapportage genoegzaam heeft aangetoond dat bij het vaststellen van de beperkingen rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant aan de linker voet en de linker enkel. De rechtbank is verder niet gebleken dat appellant geen veiligheidsschoenen zou kunnen dragen. Ook de omstandigheid dat appellant op 4 september 2008 een orthopedische schoen heeft gekregen voor zijn linker voet, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, omdat de gezondheidstoestand van appellant per datum in geding, 26 oktober 2007, bepalend is.

3.2. Wat de arbeidskundige grondslag betreft, heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat haar niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de arbeidsdeskundige Ham in de notities functiebelasting van 17 juli 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige Huisman in zijn rapportages van 12 december 2007 en 14 april 2008 genoegzaam heeft gemotiveerd dat de voor appellant geduide functies - onder meer ten aanzien van voetpedaalbediening, trillingsbelasting en traplopen - passend zijn.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn miskend. Appellant heeft ter onderbouwing verwezen naar diverse - mede reeds in bezwaar en in beroep in geding gebrachte - medische stukken. Appellant acht zich vanwege psychische problematiek beperkt op de items 1.9 ‘werk zonder veelvuldige deadlines en productiepieken’ en 2.8 ‘omgaan met conflicten’ en vanwege zijn linker voet- en enkelklachten en op de items 4.20 ‘trappen lopen’ en 4.23/24 ‘ongeschikt voor het werken op een ongelijke ondergrond’. Verder is appellant van mening dat er bij hem sprake is van een chronisch pijnsyndroom waardoor een urenbeperking geïndiceerd is. Appellant heeft de Raad verzocht een revalidatiearts te benoemen voor een deskundigenonderzoek. Appellant heeft voorts betwist dat de voor hem geduide functies passend zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt daartoe met betrekking tot de door appellant geclaimde psychische klachten dat hij zich kan vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep, zoals beschreven in diens rapportage van 14 april 2009, dat noch uit het medisch onderzoek door de arts Colijn noch uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek zoals verricht in bezwaar is gebleken van afwijkingen op psychisch gebied bij appellant. Van der Stoep heeft verder gesteld dat psychiater Van Loon in diens schrijven van 26 mei 2008 niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij gekomen is tot de diagnose chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Met betrekking tot de grief van appellant dat een urenbeperking geïndiceerd is, overweegt de Raad dat Van der Stoep zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant aan zijn linker voet en de linker enkel en dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat de behandelend sector ten aanzien van appellant heeft vastgesteld dat er tevens sprake is van een chronisch pijnsyndroom. Van der Stoep heeft betoogd dat er uit preventieve overwegingen evenmin een indicatie is om een urenrestrictie toe te passen. De Raad onderschrijft het standpunt van Van der Stoep. De in hoger beroep toegezonden uitdraai van revalidatiecentrum Blixenbosch over chronische pijnklachten en de toegezonden medische informatie van orthopaedisch chirurg D.E. Meuffels, maken dit niet anders. De Raad ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen.

5.2. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige Huisman in zijn rapportage van 23 februari 2009, waarin hij voor een duidelijk overzicht alle in de eerdere arbeidskundige rapportages gegeven toelichtingen op de signaleringen opnieuw op een rij heeft gezet, genoegzaam heeft toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellant in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM